Website integraal denken pagina 4

 

Links op deze pagina :               

Op zoek naar de eenheid van religie, filosofie en wetenschap

Inhoud van het boek

De eeuw van de nieuwe leringen

Een universele orde

Home

Integraal denken in religie en filosofie

 

 

 

 

 

Het integrale denken van Hans R. Vincent

 

 

BASISPRINCIPES

 

                                            

 

1.    Bestaande ideële systemen:Kennis wordt aangevuld door

    redenering en geloof

 

Zuivere kennis komt voort uit de wetenschap. Deze is rationeel en empirisch gefundeerd: ons denken trekt conclusies uit waarneembare feiten. Zo ontdekken we wetmatigheden in de natuur. De wetenschappelijke ontwikkeling van de afgelopen driehonderd jaar heeft onze levenswijze in hoge mate verbeterd en veraangenaamd. Zonder wetenschap en de daarop gebaseerde techniek leefden we nog in de middeleeuwen.

De kennis die uit de wetenschap voortkomt is beperkt. Deze heeft betrekking op de waarneembare wereld. Dat is de wereld van de materie, waarover veel kennis is verzameld. Het lijkt erop dat deze kennis zijn grenzen heeft bereikt. Momenteel worden vorderingen gemaakt op het gebied van de kennis van levensvormen, waaronder die van de mens. Het gaat vooral om de medische en biologische aspecten, de structuren en processen van lichamelijke verschijnselen. De kennis omtrent de psychologische en sociologische processen, bij mensen dus, is nog gering.

Vragen van filosofische en religieuze aard kunnen over het algemeen niet op wetenschappelijke wijze worden benaderd. Er zijn wel veronderstellingen over de vragen hoe het heelal, de Melkweg, het zonnestelsel, de planeet Aarde, het leven en de levensvormen zijn ontstaan. Maar we weten niet wat de bron van al het bestaande is en welke bedoeling daarachter schuilt. Onbekend is ook of er andere, voor ons niet-waarneembare werelden bestaan, al zijn er aanwijzingen uit de nieuwe natuurkunde en uit de astronomie dat dit wel het geval is. Theorieën omtrent donkere energie, anti-materie en multi-universa wijzen in die richting.

Voor zover wij beschikken over informatie, weten wij dat mensen steeds hebben gezocht naar verklaringen omtrent de oorzaak en doel van alles dat bestaat en vooral van ons eigen bestaan. Daarbij is veelal gerefereerd aan de metafysica, de kennis omtrent de niet-fysieke wereld. Magie, mythe, religie en vele filosofische systemen zijn gebaseerd op ideeën en voorstellingen, die soms een historische grondslag bezitten.

Uit de sociale wetenschappen komt de gedachte naar voren dat deze ideeën en voorstellingen behalve feitelijke gebeurtenissen en veronderstellingen, ook veel psychologische en sociale projecties bevatten. De angst voor de dood leidt tot een voorstelling van voortbestaan. De sociale mechanismen van beloning en straf leiden tot voorstellingen van hemel en hel. Het mannelijk gezag in de samenleving  wordt gelegitimeerd met de beschrijving van God als “vader”of “heer”. Het is dus maar de vraag of God de mens schiep of dat de mens zijn eigen godsbeeld creëerde.

In de speurtocht naar antwoorden op de ultieme vragen zullen we toch de religieuze en filosofische ideeën en voorstellingen moeten gebruiken. Ontdaan van menselijke projecties geven zij inzichten, die voor onze vragen relevant kunnen zijn. Zo is de voorstelling van een scheppende kracht, die in vrijwel alle religies en vormen van metafysica onder velerlei namen wordt aanvaard, een zinvol uitgangspunt.

Zo kunnen wij ontdekken, dat de denkwerelden van wetenschap enerzijds, religie en filosofie anderzijds niet zonder meer strijdig zijn, zoals door velen wordt aangenomen. Wij moeten dan wel in staat zijn een diversiteit van kennisbronnen te hanteren. Het wetenschappelijk denken is rationeel-analytisch en empirisch. Het filosofisch denken is eveneens rationeel, maar daarnaast ook synthetisch. Religieuze voorstellingen zijn gericht op fundamentele vragen omtrent de mens en zijn bestemming. Daarbij kunnen emotionele en intuïtieve elementen een rol spelen.

Indien we een open, maar wel kritisch standpunt hanteren, is een convergentie van wetenschappelijke en religieus-filosofische standpunten zeker mogelijk. Deze convergentie heeft betrekking op zowel de verscheidenheid van de feitelijke geschreven bronnen van kennis alsook op de menselijke vermogens om die bronnen te kunnen hanteren. Kritisch denken, reflectie en zelfreflectie zijn daarbij onontbeerlijke voorwaarden. Dat betekent dat we een integraal wereldbeeld kunnen creëren, dat deels bestaat uit feitenkennis en deels uit zinvolle ideeën en voorstellingen omtrent samenhangen van meer algemene geldigheid, die we wel met de nodige voorzichtigheid moeten hanteren.

Voor dogmatiek en fundamentalisme is daarin geen enkele plaats. 

 

 

2.    Materie en leven: Er is een impliciete ordening, die alles doordringt

 

“God dobbelt niet”, zei Albert Einstein.

Dat wil zeggen dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de kosmos wordt geleid door principes van ordening. Dat geldt in de eerste plaats voor de waarneembare wereld, het materiële heelal. Het verklaart bijvoorbeeld, waarom de materie in alle delen van het heelal aan dezelfde natuurwetten gehoorzaamt. 

Hetzelfde geldt voor het feit dat er zoiets als evolutie bestaat, d.w.z. dat de levensvormen zich in de loop van de tijd ontwikkelen naar meer complexe vormen. Dat heeft wel te maken met het proces van mutatie en selectie in de natuur, maar dit mechanisme geeft op zichzelf geen voldoende verklaring voor het ontstaan van de vermogens van intelligentie en abstractie. Er zijn dan ook andere factoren werkzaam en wel die van de vormgevende krachten ofwel de blauwdrukken van de materie en van de levensvormen.

Blauwdrukken hebben betrekking op de structuren van de vormen, die worden bepaald door de achterliggende wetmatigheden. Zo is de blauwdruk van de materie, vastgelegd in de structuren van atomen, moleculen en vormen van straling, bepaald door de wiskundige grondslagen. Het impliciete doel van deze structuren is het ontstaan van materiële omstandigheden, waardoor meer complexe structuren, te weten van levenvormen, kunnen ontstaan.

De grote verscheidenheid van vormen van leven komt tot uiting in variaties in de vormgeving en in de vermogens van groei, verplaatsing, waarneming en overleving, zowel van de enkele exemplaren als van de soorten. Het aan de overleving van de soorten ten grondslag liggende mechanisme is dat van mutatie en selectie.

Ook het menselijk leven is gebonden aan het universeel scheppende vermogen voortvloeiend uit het bestaan van de blauwdrukken of vormgevende krachten. Intelligente en scheppende vermogens zien we in elementaire vorm reeds bij dieren, zoals het bouwen van vogelnesten en beverdammen. Bij de mens zijn deze vermogens in sommige aspecten van het menselijk leven tot volle ontwikkeling gekomen, met name op technisch, kunstzinnig en ideëel gebied. Op sociaal, politiek en ethisch gebied zijn deze vermogens nog onontwikkeld. In de huidige ontwikkelingsfase van de aarde verdienen die dan ook de hoogste prioriteit.

De blauwdruk van de volgende fase van evolutie van de aarde heeft zich nog niet gemanifesteerd, al zijn daartoe wel aanzetten waarneembaar. Menselijk leven en samenleven wordt gekenmerkt door het vermogen de natuurlijke omgeving te beheersen. Maar mensen oefenen ook macht uit over elkaar. Daarom zijn er principes die het menselijk leven en samenleven reguleren, dat zijn de ethische voorschriften ofwel omvattende principes, die in religies en filosofieën zijn geopenbaard en doordacht. Deze vormen de grondslagen voor de maatschappelijke normen en waarden en veelal ook voor de wetten van de staten en de beginselverklaringen van de internationale gemeenschappen.

De drie vormen van ordening, te weten die van de natuurwetten, de blauwdrukken en de ethische principes, zijn de regulerende krachten, die ten grondslag liggen aan de materie en de levensvormen. Zij komen voort uit een wereld van bewustzijn, die zelf ook is onderworpen aan orde en wetmatigheid en die deel uitmaakt van een universeel scheppend bewustzijn. Elk atoom, elk levend wezen en iedere mens behoort tot de beide werelden: die van de materie en die van het bewustzijn. Hoe hoger het niveau van bewustzijn, des te meer complex is de levende vorm en de daartoe behorende structuren en vermogens. 

De kosmische orde is dus niet chaotisch en de gebeurtenissen zijn bepaald door noodzaak. Het toeval speelt een ondergeschikte rol; “toevallige” gebeurtenissen komen voort uit reeds aanwezige structuren en processen. Alleen tijdelijke of plaatselijke variatie kan men aan toeval toeschrijven.

 

 

3.  Mensen: Ons gedrag wordt bepaald door biologische, psychologische, sociale en spirituele aspecten

 

Mensen zijn als biologische soort evenals planten en dieren producten van de biologische evolutie. Deze vorm van evolutie is enerzijds het gevolg van het proces van mutatie en selectie, dat zorgt voor variaties binnen de soorten en daardoor aanpassing aan veranderde omstandigheden mogelijk maakt. Daarnaast wordt het proces gestuurd door de blauwdrukken die reeds in de niet-manifeste wereld aanwezig zijn.

Binnen dit biologisch evolutieproces treedt een grote variatie in eigenschappen op. Bij de mens heeft dat betrekking op eigenschappen betreffende fysieke, creatieve, intellectuele en morele vermogens. Er zijn mensen met hoge/lage fysieke prestaties, mensen met veel/weinig creativiteit, veel/weinig intelligentie en er zijn goed-/kwaadwillende mensen. Voor ieder individu geldt een eigen samenstelling van eigenschappen; ieder mens is uniek.

Mensen leven samen in groepen: er zijn beroepsmatig, sociaal, etnisch, religieus, ideologisch, nationaal en cultureel  samengestelde groeperingen. Elke groepering heeft specifieke eigenschappen, die betrekking hebben op technische vermogens, kennis, normen, waarden en ideeën.

De binnen deze groeperingen levende mensen worden beïnvloed door de eigenschappen van hun groep. Die eigenschappen oefenen veelal een dwingende macht uit. Dan kan er een conflict ontstaan tussen de eigenschappen van het individu en die van de groep. Bovendien maakt elke mens deel uit van verschillende groepen en ook daardoor kunnen conflicten van kenmerken ontstaan. Als een bepaalde groepseigenschap dominant is over die van een andere groep waartoe de individu behoort of over een eigenschap van het individu zelf, spreken we over vervreemding: de mens leeft niet overeenkomstig zijn eigen aard.

Vervreemding kan leiden tot frustratie, het ontbreken van bevrediging van fundamentele behoeften met als mogelijk gevolg agressie, die tegen de eigen persoon – dus naar binnen -, of tegen de andere persoon of de andere groep – dus naar buiten – gericht kan worden. In vrijwel alle menselijke situaties treden vormen van vervreemding, frustratie en agressie op.

Niet alleen de evolutie van soorten wordt beïnvloed door de blauwdrukken, maar ook die van groeperingen en van elke individuele mens. Die blauwdruk ligt vast in het bewustzijn. Er is een blauwdruk van elke groepering en van elke mens. Zo’n blauwdruk is niet statisch. De soort, de groepering en het individu ontwikkelen zich overeenkomstig een eigen patroon. Daarbij speelt het leerproces een belangrijke rol. Dit leidt tot toenemend bewustzijn, hetgeen betekent: meer samenwerking, meer creativiteit, meer intelligentie, meer moraliteit. Dit bewustzijn wordt doorgegeven door de genen, door communicatie en door gedachten. Bij soorten en groeperingen spelen de genen en de communicatiepatronen de belangrijkste rol, bij individuen de gedachten.

Ieder mens beschikt over een gedachtenlichaam, dat de waarneembare werkelijkheid overstijgt. Het neemt kennis en ervaring op en blijft bestaan na de fysieke dood. In de regel wordt het weer in een menselijk lichaam opnieuw geboren. Dat heet reïncarnatie. De feitelijke omstandigheden van een bepaald leven worden bepaald door vorige levenscondities, de gedachtenpatronen en de verrichte handelingen.

Dat heet karma. Er is een oorzakelijk karma, de wet van oorzaak en gevolg, en een doelgericht karma, dat aangeeft welk doel bereikt kan worden. Causaliteit en teleologie spelen beiden een essentiële rol in de individuele ontwikkeling, waarvan het uiteindelijk doel in de blauwdruk is opgenomen. Het is onze taak deze blauwdruk te ontdekken en te realiseren.

 

 

4.  Samenleven: De sociale dynamiek is nog niet uitgewerkt

 

Ook op sociaal gebied treedt evolutie op: het proces van toenemende complexiteit van samenlevingsvormen. De primitieve mens leefde in stamverband. Daarna ontstonden de stad-staten, met name in Zuid-Europa, het Midden-Oosten, India en China. De verovering van de ene stad-staat door de andere leidde tot nationale staten en zelfs wereldrijken, zoals het Romeinse Rijk, het Osmaanse Rijk en het “Britisch Empire”.

De ontwikkeling van de techniek vanaf de 16e eeuw betekende de noodzaak van samenvoeging en samenwerking van staten, zoals de Verenigde Staten, de Europese Unie, de Russische Federatie en de Sovjet-Unie. Momenteel is de voornaamste vorm van sociale organisatie nog steeds die van de nationale eenheid, al zijn er nog resten van stamsamenlevingen en stad-staten. De tendenzen naar samenwerking zijn op vele plaatsen aanwezig, maar er treden ook ontbindingsprocessen op.

 

Naast de sociale evolutie-processen in de richting van grotere en meer complexe bestuurlijke eenheden, is er ook sprake van verandering van machtsstructuren binnen de samenlevingen. Stamsamenlevingen werden geleid door stamhoofden, stad-staten en nationale staten door koningen ,wereldrijken door keizers.

Sedert de 18e eeuw, onder invloed van filosofen zoals Locke en Rousseau, zijn er processen van democratisering op gang gekomen, die in eerste instantie een aantal landen in Europa en Noord-Amerika hebben beïnvloed, maar meer en meer ook elders doordringen.

Daarnaast doet zich ook een evolutieproces voor op het gebeid van de ideeële veranderingen. Het wereldbeeld van de stamsamenleving wordt bepaald door magie, de stad-staat kent veelal de vorm van mythe, religies treffen we aan binnen de nationale eenheden en in sommige wereldrijken. In de moderne tijd wordt het wereldbeeld vooral bepaald door de ontwikkeling van wetenschap en techniek, hetgeen leidt tot vormen van profanisering en materialisering.

 

Deze drievoudige evolutie – biologisch, sociaal en ideëel - wordt gekenmerkt door periodes van vooruitgang en vernietiging. Dat weten we uit de oude mythologische verhalen, zoals dat van de zondvloed of het verhaal van Atlantis en ook uit de beschreven geschiedenis met zijn veroveringen en oorlogen. De grootste catastrofe uit de meer recente periode is wel die van 1914 tot 1950, waarin zich op grote schaal wereldoorlogen, revoluties en massamoorden hebben voorgedaan. Nadien zet zich het proces van evolutie op alle drie genoemde gebieden weer voort.

Dat leidt tot de nieuwe fenomenen van globalisering en informatisering. Deze betekenen een toenemend onderling contact van mensen en groeperingen over de hele wereld. De confrontaties van technische vermogens, normen, waarden en ideeën nemen toe. Een gevolg is meer kennis van cultuurpatronen van andere groepen en volken, maar ook discriminatie, geweld, terreur en (burger)oorlog. Bovendien zullen zich problemen in verband met de klimaatverandering en de uitputting van grondstoffen voordoen.

Het samenleven in één wereld zal processen van vernieuwing op technisch en ook op het gebied van besluitvorming nodig maken. Er zullen nieuwe bronnen van energie ontwikkeld moeten worden en er zullen andere wijzen van besluitvorming moeten komen.

Ook op ideëel gebied is vernieuwing noodzakelijk: de oude religieuze vormen geven onvoldoende moreel en intellectueel houvast aan de moderne mens. De wetenschap beperkt zich tot de waarneembare wereld, de fysica en laat vragen over metafysica buiten beschouwing. Niettemin kunnen oude religieuze en filosofische voorstellingen en theorieën, indien aangepast aan moderne inzichten mét de moderne wetenschappelijke kennis tot nieuwe integrale vormen van kennis en inzicht leiden. Die zullen ook tot algemeen aanvaarde vormen van ethiek moeten leiden, waardoor vreedzaam samenleven op wereldniveau mogelijk wordt.

Het zal duidelijk zijn dat er nog een lange weg te gaan is totdat er een welvarende, vreedzame, rechtvaardige en duurzame wereld tot stand is gekomen. De verwachting dat ook dit proces met crises gepaard gaat, lijkt historisch gezien terecht. 

Over de aard van die crises kunnen we slechts speculeren. Niettemin zijn er wel aanwijzingen te vinden voortvloeiend uit de wetmatigheden van het menselijk sociaal, politiek en economisch samenleven. Zo vloeide de genoemde crisisperiode van de vorige eeuw logischerwijze voort uit de feitelijkheden van economische uitbuiting door de heersende economische en politieke elites en ook als gevolg van de nationalistisch-imperialistische sociaal-politieke structuren. Economische crises en nationalistisch gefundeerde oorlogen waren de onvermijdelijke consequenties.

 

De huidige wereldsituatie wordt gekenmerkt door twee ernstige bronnen van frictie: 

1.      De tegenstelling van armoede en rijkdom, zowel binnen nationale staten alsook – en vooral – op wereldniveau.

2.      De uitbuiting van de natuur, waarbij we moeten denken aan de grondstoffen, de bossen en oerwouden, maar vooral ook aan het leed dat we aan de dierenwereld aandoen.

Zo is het te verwachten, dat de volgende crisis vooral een ecologische crisis zal zijn, mede voortvloeiend uit de armoede, die daardoor nog zal toenemen.

Daaruit zal echter een nieuwe wereldorde voortvloeien, waarvan de blauwdruk reeds bekend is. Dat is een wereldorde gebaseerd op een universeel aanvaarde ethiek van rechtvaardigheid, vreedzaam samenleven en duurzaamheid. Een dergelijke ethiek is alleen te verwezenlijken door een sociale en politieke structuur met voldoende middelen ter uitvoering van deze doelstellingen. Dat betekent een wereldregering met adequate middelen op communicatief, financieel, politiek en militair gebied.

 

 

 

 

 

Ons wereldbeelden

 

Het integrale denken

 

OP ZOEK NAAR DE EENHEID VAN RELIGIE, FILOSOFIE EN WETENSCHAP             

 

HANS R VINCENT

 

Kok Agora, Kampen 2000

 

 

Er bestaat een grote verscheidenheid van religies en filosofische systemen. Er zijn al vanuit vroegere tijden pogingen ondernomen om tot synthese daarvan te komen. In de vorige eeuw is dat opnieuw geprobeerd. Deze opvattingen gaan steeds uit van een in oude wijsheid gefundeerde metafysica. In de huidige tijd moeten wij ook rekening houden met de ontwikkeling van de wetenschap. Fundamentele vragen over het bestaan van het heelal, de wereld, de mensheid en onszelf kunnen wetenschappelijk niet beantwoord worden. In onderstaande boek wordt nagegaan hoe wij tot een integratie van wetenschappelijke kennis en metafysische gezichtspunten kunnen komen. 

 

Tekstfragmenten:

-  Boekomslag

-  INHOUD

-  Inleiding. Het persoonlijke en het algemene

-  Deel I. 2. De eeuw van de nieuwe leringen

-  Deel  III.  EEN UNIVERSELE ORDE

 

 

Boekomslag

 

Ook in de tijd van wetenschappelijke en technische vooruitgang kunnen we verwachten dat mensen op zoek gaan naar hun herkomst, hun doel en naar de betekenis van leven en sterven. De eeuwenoude vragen zullen dan opnieuw worden gesteld, hetgeen kan leiden tot een nieuw, aan de huidige tijd aangepast, wereldbeeld. Dit wordt gekenmerkt door een integratie van religieuze, filosofische en wetenschappelijke gezichtspunten, oosters en westers, waarvan een evolutionaire visie op mens en maatschappij en spiritualiteit in het zoeken naar de laatste oorzaken deel uitmaken. Het integrale denken geldt daarbij als leidraad.

Het boek geeft een algemene analyse van religieuze, filosofische en wetenschappelijke denkwijzen. Bovendien wordt een aantal voorbeelden van richtingen en schrijvers binnen de integrale en soortgelijke denkwijzen genoemd. Dat zijn o.a. religieus georiënteerde leringen, zoals het soefisme, de theosofie, Krishnamurti en de anthroposofie, cultuur-filosofische benaderingswijzen, zoals die van Pitirim Sorokin, Jean Gebser en Fritjof Capra en spiritueel-wetenschappelijk gefundeerde opvattingen, met name die van Carl Jung, Abraham Maslow, David Bohm en Rupert Sheldrake. Ook in Nederland zijn er filosofen en wetenschappers, die de scheiding van spiritualiteit en wetenschap proberen te overbruggen.

Op basis van deze ideeën is gestreefd naar de vormgeving van een nieuw wereldbeeld.

Er wordt nagegaan wat we weten van een universele scheppingskracht en welke krachten aan de materie, het leven in de natuur en het menselijk en maatschappelijk leven ten grondslag liggen. Dat zijn de natuurwetten, de verborgen blauwdrukken en de ethische principes die zowel het persoonlijke als het maatschappelijke leven bepalen. Daarmee kunnen we de volgende vragen benaderen:

                   -     Wat is het universum, de wereld, het leven, de mens?

-     Wie ben ik?

Er is geen pretentie van waarheid of juistheid. De denkwijze van de auteur is gebaseerd op openheid en bedoeld als uitgangpunt voor verdere discussie en meningsvorming.

 

Hans R. Vincent (*1934) was hoofddocent cultuursociologie aan de Universiteit van Amsterdam en bestuurslid van de Stichting Krishnamurti Nederland. Momenteel is hij secretaris van de Erasmus Liga (Netherlands Association for the Club of Rome). Zijn vakgebied is de sociale wetenschappen (dr), maar zijn terrein van interesse en kennis is veel breder: de wetenschap in ruime zin, westerse en oosterse filosofie, religie en mystiek. Hij schreef diverse boeken, vele artikelen en bulletins. Hij organiseert cursussen en geeft lezingen.

 

Uitgeverij AGORA, Kampen 2000

ISBN 90 391 08188

 

 

 

 

 

 

 

 

INHOUD van het boek

 

Inleiding  HET PERSOONLIJKE EN HET ALGEMENE                                           11

 

Deel I  EEUWIGE VRAGEN, OUDE EN NIEUWE ANTWOORDEN                      17

 

1. Het menselijke zoeken en de crisis van het denken                                                           19

VERKLARING EN BEHEERSING

Religie

Filosofie

Wetenschap

CONFLICTERENDE VOORSTELLINGEN

 

2. De eeuw van de nieuwe leringen                                                                                      40 

INSPIRATIE UIT HET OOSTEN

Soefisme: zuivering

Theosofie: broederschap

Krishnamurti: gewaarzijn

Anthroposofie: geestelijke wereld

Andere richtingen

WAT IS OUD EN WAT IS NIEUW?

                                                           

3. De grondslagen voor een nieuwe cultuur                                                                          55

CULTUUR EN MATERIALISME

Pitirim Sorokin: familisme en altruïsme

Jean Gebser: “Bewustzijn van het geheel”

Fritjof Capra: “jin” en “jang”

DE TOEKOMST VAN ONZE SAMENLEVING

 

4. Een wetenschap van het geheel                                                                                        64

KENNIS EN MYSTIEK

Carl Jung en Abraham Maslow: de ziel en de topervaring

David Bohm: manifeste en verborgen orde

Rupert Sheldrake: morfogenetische velden

MANIFESTATIES VAN VERSCHILLENDE NIVEAU'S

 

Deel II  NEDERLAND. THEORIE EN PRAKTIJK VAN EEN NIEUWE

SPIRITUALITEIT.                                                                                                          75

 

1.        Onze maatschappij en de “muur” in de wereld van de

ideeën                                                                                                                                 77

                                                              

2. De ratio op zoek naar diepte                                                                                            82

FILOSOFIE EN DE BASIS VAN ONZE CULTUUR

Otto Duintjer: spiritualiteit

Ton Lemaire: natuurmystiek

ROBOT OF BEWUSTZIJN?

Frits Wiegel: omvattende wetenschap

 

3. Van idee naar werkelijkheid                                                                                             93

DE PRODUCTIE EN HET MAATSCHAPPELIJKE DUALISME

Rien Matthijsen: verantwoordelijke bedrijfsvoering

TRADITIE EN VERNIEUWING IN HET NEDERLANDSE ONDERWIJS

Arnold Henny: “Bildung”

PSYCHOTHERAPIE EN DE PROBLEMEN VAN HET DAGELIJKSE LEVEN

Martin van Kalmthout: waarheid en liefde

 

4. Een beetje hoop                                                                                                             108

 

Deel III  EEN UNIVERSELE ORDE                                                                            111

 

1. Het integrale wereldbeeld                                                                                                113

ORGANISATIE EN ORDENING

DE MANIFESTE ORDE: NIVEAU'S VAN ORGANISATIE:

Het heelal

De levende natuur

De mens en zijn cultuur

DE VERBORGEN SYSTEMEN VAN ORDENING:

WETTEN, BLAUWDRUKKEN EN PRINCIPES

De mechanische orde: wetmatigheid

De evolutionaire orde: blauwdrukken

De integratieve orde: omvattende principes

EEN UNIVERSELE SCHEPPINGSKRACHT

 

2. Het religieuze als individuele ervaring                                                                               135

DE SPEURTOCHT

VERWONDERING

 

3.De filosofie als grondslag van denken en handelen                      140

(ZELF)REFLECTIE

DE METAFYSICA: INTUïTIE

Vernieuwing van de cultuur: complementaire kenmerken

Persoonlijk bewustzijn: continuïteit

 

4. Wetenschap en de integrale modellen                                                                              147

REDUCTIONISME: GEBREK AAN SAMENHANG

HET BELANG VAN HET GEHEEL

De Club van Rome en de Erasmus Liga: verantwoordelijkheid

 

Deel IV  NAAR EEN GEïNTEGREERD SOCIAAL SYSTEEM                                155

 

1.    Zingeving in een veranderende wereld                                                                          157

ONZE WESTERSE SAMENLEVING

Middeleeuwen: Statische structuur

Renaissance: Vrijheid

Modernisme: Welvaart

 

2.        Een nieuw type maatschappij: de ecoculturele samenleving                                                  164   

                                                                                                                                            

DE POLITIEKE STRUCTUUR VAN ééN WERELD

DE PRODUCTIE EN HET ALGEMEEN ECONOMISCH BELANG

DE CULTUUR VAN KLEINSCHALIG LEVEN EN GROOTSCHALIG DENKEN

Gemeenschapsleven

Onderwijs

Informatie en artistieke creatie

Religie als praktijk

Therapie en filosofie

Centra voor zelfreflectie en integraal denken

 

3. De sociale dynamiek                                                                                                      181

 

Deel V  EEN WEG NAAR HET ZELF                                                                         183

 

1.        Wat is bewustzijn?                                                                                                             185

UNIVERSEEL EN INDIVIDUEEL BEWUSTZIJN

DE NIEUWE LERINGEN: GEVAREN

 

2. Het menselijke pad                                                                                                        191

ZELFONDERZOEK

Centrum

Oorzaken en gevolgen

“Ik” en “Zelf”

Vertwijfeling

DWAALWEGEN

Omkering

HANDELING

 

3. Uitzicht                                                                                                                          200

 

Slot INTEGRALE CULTUUR                                                                                       202

 

APPENDIX I

Sofieën, holisme, systeemtheorie en integraal denken                                                           204

 

APPENDIX II

Belangrijke begrippen behorend tot het integrale denken                                                      208

 

APPENDIX III

Literatuur                                                                                                                            211

 

 

 

Inleiding. Het persoonlijke en het algemene

 

Zolang er mensen bestaan, wordt er naar “waarheid” gezocht.

Dat geldt ook voor mijzelf. Sedert mijn 16e jaar ben ik bezig met een speurtocht naar de laatste waarheid, het absolute of hoe men dat ook wil noemen. Ik probeer inzicht te verkrijgen in de kosmos, de wereld, het leven, de maatschappij en in mijzelf die deel van dat alles is. Ik wil weten waar alles vandaan komt, waartoe het dient en waar het naar toe gaat. Wat is de zin van al dit “gewroet” op deze kleine planeet? Waarom is er strijd, vaak met geweld, om het bestaan? Waartoe bestaat al dat streven, van de natuurlijke drift naar voortbestaan tot het volstrekt onnatuurlijke menselijke verlangen naar vooruitgang? Wie heeft dat allemaal bedacht? Welk doel zou dat kunnen dienen?

Zijn er op deze vragen antwoorden mogelijk?

Op mijn speurtocht kwam ik religies tegen, filosofieën en wetenschappen. Zij zeggen allemaal iets over deze vragen.

De natuurwetenschappen leerden mij dat er wetmatigheid is in de natuur: de materie gehoorzaamt aan de strikte wetten van de wiskunde. De processen in de levende natuur, de planten- en dierenwereld, zijn in mindere mate causaal verklaarbaar. Het streven naar voortbestaan, zowel van een afzonderlijk exemplaar als van een biologische soort als geheel, is een belangrijk gegeven. Deze processen zijn meer doelgericht met evolutie, verandering in de richting van meer complexiteit, als gevolg.

De sociale wetenschappen - die ik als hoofddocent sociologie beroepsmatig heb beoefend - hebben mij iets geleerd over de mens en over de samenleving. Zo blijkt dat vele ideeën en voorstellingen, ook over vragen betreffende het absolute, in hoge mate afhankelijk zijn van psychische gegevenheden, zoals angsten en ervaringen, en ook van maatschappelijke structuren. Dit leidt tot de gedachte van de relativiteit van ideeën en voorstellingen ofwel “waarheden met een beperkte geldigheid”.

Niettemin heb ik gezocht in de wereld van die ideeën, waaronder de grote religies en filosofieën, oude en nieuwe, westerse en oosterse. Dat bracht mij op het spoor van de vroegere Aziatische, Egyptische en Griekse vormen van wijsheid, vooral die van de Tau-te tjing, het hindoeïsme, het boeddhisme, de gnosis, vóór-christelijk en christelijk, van Plato en andere Griekse filosofen. Zij geven beelden van een omvattende werkelijkheid in de meest algemene zin: een wereldbeeld en een praktische ethiek.

Die omvattende, universele ideeën trokken mij aan. Maar ze horen steeds bij een relatief statische tijd met de toen geldende sociale structuren en bijbehorende denkwijzen. Datzelfde geldt voor onze eigen westerse religie, het christendom. Veel waardevolle elementen vond ik in de oude christelijke mystiek en ook in de nog steeds geldende ethiek, zoals die van de naastenliefde. Ik miste daarin wel de rationaliteit, die ik in vele antieke en oosterse opvattingen aantrof.

Van de nieuwere westerse filosofieën bestudeerde ik met name Rousseau, Nietzsche, het (neo)marxisme, het existentialisme en het humanisme. Deze richtingen zijn ontstaan in een dynamisch tijdsbestek met veranderende sociale structuren en ideeën. Daardoor speelt dan wel een ander probleem, namelijk dat de geldigheid betrekking heeft op een beperkt deel van de werkelijkheid. Hoe belangrijk deze ideeën ook zijn voor de verbetering van het persoonlijke en maatschappelijke leven, een inzicht in de fundamentele vragen omtrent zin en betekenis van al het bestaande, geven zij mij niet.

Dat geldt ook voor de filosofie van het logisch positivisme en voor de wetenschappen in het algemeen. Zij geven informatie over de wijze, waarop wij kennis verkrijgen over de werkelijkheid en hoe wij die kennis kunnen toepassen. Maar die kennis met al zijn mogelijkheden is beperkt tot de uiterlijke wereld. De verborgen krachten van het leven zijn volgens de wetenschappelijke methodiek ontoegankelijk.

Daarom zocht ik verder en wel bij de nieuwe spirituele leringen, zoals het soefisme, de theosofie, de anthroposofie en de leer van Krishnamurti. Het soefisme is de gedachte van de eenheid van alle godsdiensten. De theosofie probeert het oosterse en het westerse, christelijke denken tot een synthese te brengen en de anthroposofie heeft die synthese meer praktisch uitgewerkt. Krishnamurti verwerpt alle oude voorstellingen en ideeën en leert de mensen hoe zij tot innerlijke vrijheid kunnen komen.

Dan zijn er ook de meer wetenschappelijk georiënteerde pogingen tot een synthese van fysica en metafysica (de kennis van het werkelijke en van het bovennatuurlijke).

Gebruik makend van al deze kennis, ideeën en leringen heb ik gezocht naar een nieuw wereldbeeld, inclusief een maatschappijbeeld en een mensbeeld. Het is een complex geheel van intuïtieve en rationele ideeën en voorstellingen geworden, dat ik het “integrale denken” noem. Dit past binnen de algemene stroming van integraal en holistisch denken.

Ik hoop dat dit geheel voor anderen aanleiding mag zijn om op zijn/haar eigen manier naar universele waarheid in een aan de huidige maatschappelijke omstandigheden aangepaste vorm te zoeken.

 

Er zijn 5 delen.

 

Deel I geeft een overzicht van een aantal ideeën op religieus, filosofisch en wetenschappelijk gebied, oud en nieuw, die voor deze studie relevant zijn. Zij bieden ten dele geheel verschillende antwoorden op mijn vragen.

 

In deel II geef ik de opvattingen van anderen, waarmee ik contact heb (had) en die evenals ik met deze vragen worstelen (worstelden) en antwoorden hebben gevonden.

 

Op basis van deze bouwstenen vindt men de door mijzelf ontwikkelde, op integratie gerichte ideeën omtrent een nieuw wereldbeeld in deel III.

 

Zo'n wereldbeeld heeft implicaties op maatschappelijk terrein en leidt dus tot een nieuw maatschappijbeeld, dat is weergegeven in deel IV.

 

Deel V behandelt het mensbeeld, de uitwerking van het wereldbeeld op het niveau van het individuele leven.

 

De appendices geven enige informatie over de relatie met verwante denkwijzen, over enkele belangrijke begrippen, over de gebruikte en ook over meer algemene literatuur.

 

Bennebroek, 1-1-2000

 

 

 

Deel I. EEUWIGE VRAGEN OUDE EN NIEUWE ANTWOORDEN

 

2. De eeuw van de nieuwe leringen

 

INSPIRATIE UIT HET OOSTEN

 

Het zoeken naar vormen van integratie vond in de 19e eeuw bij die groep mensen plaats, die zowel ontevreden was met de oude traditionele voorstellingen, alsook met de opkomende materialistische en atheïstische ideeën. Zij zochten naar nieuwe bronnen van religieuze inspiratie en werden daarbij geholpen door het feit dat Europa door zijn kolonisatiepolitiek in contact was gekomen met religies uit andere delen van de wereld.

Met name de Aziatische godsdiensten met hun lange tradities en een hoge ontwikkeling van hun literaire en filosofische geschriften, bleken een bron van inspiratie te vormen op weg naar nieuwe vormen van religieuze beleving en filosofische reflectie.

Daarbij werd het christelijke erfgoed niet overboord gezet, maar wel gerelativeerd en verbonden met andere religieuze tradities, die daarvoor in diepgang niet onder deden. Het zijn deze richtingen die we nu in het westerse pluriforme cultuurpatroon, meer dan honderd jaar later, nog steeds terug vinden.

Wat is die “oosterse”  inspiratie?

Voor het doel van dit boek zal ik mij bij wijze van voorbeeld maar ook vanwege de baanbrekende rol, beperken tot een korte en noodzakelijkerwijs onvolledige beschrijving van respectievelijk het soefisme, de theosofie, de leer van Krishnamurti en de anthroposofie.

 

Soefisme: zuivering

 

Het soefisme is een voortzetting van de oude esoterische (verborgen) leringen, die al ver voor de jaartelling in het Midden-Oosten en vooral in Egypte bestonden. Na het doordringen van het christendom kregen die leringen veelal een christelijk gnostisch karakter.

Met de verspreiding van de islam ontstonden soms ook soefischolen, die een plaats kregen - hoewel vaak ongaarne - binnen de islamitische wereld. Omdat zij zich in hun speurtocht naar wijsheid niet hielden aan de islamitische orthodoxie, ging er een vernieuwende kracht van uit, die door de omgeving lang niet altijd geaccepteerd werd.

De soefi's waren wijsgeren en mystici op zoek naar God. Zij bestudeerden de oude wijsheid uit verschillende bronnen. Zij zochten naar de innerlijke stilte en naar de opening van het hart, dat de weg vrijmaakte naar de vereniging met het goddelijke, de hemelse gelukzaligheid. Wat zij vonden werd door sommige soefimeesters vastgelegd in gedichten, verhalen en beschouwingen.

Het soefisme is dus al heel oud, maar buiten het gebied van de islamitische wereld en India was het tamelijk onbekend, totdat de Indiase soefimeester Inayat Kahn de leer met een eigen interpretatie in het begin van deze eeuw naar het westen bracht. Hij was wijsgeer, mysticus én musicus. Muziek was voor hem een van de wegen waardoor de mens in contact kon komen met het goddelijke.

Wat was zijn boodschap?

Inayat Kahn wilde in de mens het bewustzijn wekken van de goddelijkheid van de menselijke ziel. Ieder mens is in zijn diepste wezen een “vonk” van God, de scheppende kracht in het heelal, die almachtig is en de schepping leidt, en waartoe ook elk individuele leven behoort.

Die vonk is een innerlijke verborgen kracht, die door training en oefening onder leiding van een soefimeester tot het bewustzijn kan doordringen. De leerling moet daartoe oefeningen en meditaties uitvoeren, die in diepte en moeilijkheid steeds verder gaan.

De soefi begint met het gebed, met ademhalingsoefeningen en met een vorm van concentratie die het denken gericht moet houden op een bepaald beeld of voorwerp. Zo verkrijgt hij/zij de beheersing over het denkvermogen. Daarna volgt de contemplatie, waarbij een bepaalde gedachtengang wordt gevolgd, meestal met een voortdurende herhaling van “heilige” woorden. De meditatie is de mystieke ontspanning, waarin volledige geestelijke rust ontstaat, zodat men in contact komt met de hogere werkelijkheid, de scheppende kracht van het universum. Uiteindelijk treedt volledige realisatie op, de ontplooiing van de ziel, waarin de mens zijn “ware ik” vindt.

Deze weg van zuivering is niet het uiteindelijke doel van het leven. De mens leeft in een innerlijke én in een uiterlijke wereld. Door de oefening wordt het kwaad dat in de mens zelf en ook in de wereld aanwezig is, bestreden en dat betekent dat er een taak vervuld moet worden. Wat voor soort taak dat is hangt helemaal van het individu en zijn positie in de wereld af. Vaak hoor ik zeggen dat de mens moet doen wat “zijn hand te doen vindt”.

 

De soefiboodschap is niet beperkt tot een levensleer. Het is ook een godsdienst, waarin mensen hun religieuze ervaringen kunnen beleven en wel in de Universele Eredienst, die de eenheid van alle godsdiensten tot uitdrukking brengt. Daarbij worden kaarsen aangestoken en teksten gelezen uit de heilige boeken van de zes grote wereldgodsdiensten, te weten: de godsdienst van Zoroaster die nu nog wordt beleden onder de Parsi's in India, het hindoeïsme, het boeddhisme, het judaïsme, het christendom en het mohammedanisme. De zevende kaars is “voor al degenen die, bekend of onbekend aan de wereld het licht van de waarheid hebben hooggehouden in de duisternis van menselijke onwetendheid”. Daarbij wordt voorgelezen uit de “Gayan, Vadan, Mirtan”, een boek met aforismen van Inayat Khan.

Hoe belangrijk de levensleer, de uit te voeren taak en de religieuze beleving ook zijn, het uiteindelijke doel van de soefi is de mystieke ervaring van eenheid met God. Het is God die het begin en het einde van alle dingen is en die zich in vele profeten en meesters heeft gemanifesteerd:

 

“Most gracious lord,

master, messiah and saviour of humanity,

we greet thee with all humility.

Thou art the first cause and the last effect,

the divine light and spirit of guidance,

Alpha and Omega.. . . . .

Allow us to recognise thee in all thy holy names and forms,

as Rama, as Krishna, as Shiva, as Buddha.

Let us know thee as Abraham, as Solomon,

as Zarathustra, as Moses, as Jesus, as Mohammed

and in many other names and forms

known and unknown to the world”.

(Inayat Khan. Gayan, Gayatri -gebeden-,vers Salat)

 

Theosofie: broederschap

 

De eerste grote impuls in de westerse wereld tot de ontwikkeling van een geheel nieuwe religieus-filosofische leer gebaseerd op een integratie van beginselen uit oosterse en westerse godsdiensten, was de theosofie. Het waren mevrouw H.P.Blavatsky en Kolonel H.S.Olcott uit de Verenigde Staten die de Theosofische Vereniging hebben gesticht en vorm gegeven (1875). Met name het boek “De Geheime Leer” van Blavatsky is een belangrijke bron van de theosofische leringen.

Het hoofdkwartier van de Theosofische Vereniging werd gevestigd te Adyar in Madras (India), van waaruit in een snel tempo een wereldomspannende activiteit groeide, met name ook door het werk van Annie Besant en Charles Leadbeater.

In het algemeen kan men zeggen, dat de theosofie (de wijsheid omtrent het goddelijke) is gebaseerd op de waarheid die aan alle godsdiensten ten grondslag ligt. Het is de kennis omtrent de goddelijke oorsprong van al het bestaande, zowel van de materie als van het leven. Het is ook de zelfkennis van de mens, zelf van goddelijke oorsprong, waardoor we deze kracht kunnen leren kennen.

Het gaat in de theosofie niet om een statisch wereldbeeld. De wereld en de mensheid maken deel uit van een proces van evolutie, dat het gevolg is van de ontwikkeling van het bewustzijn. Dat komt tot stand door een geestelijk streven, de basis van het werk dat de theosofen in de praktijk verrichten.

Dit streven is het gemeenschappelijke zoeken naar waarheid, waarbij drie doeleinden voorop staan:

 

1. Het bevorderen van de menselijke broederschap.

Dat is de bron van alle religie, die vooral aan het christendom ten grondslag ligt. Broederschap betekent niet dat mensen gelijk zijn. Er is een grote diversiteit in de mensheid naar rassen, naties, etnische, religieuze en sociale groepen. Maar de kern, de essentie van alle mensen is de goddelijke kracht, waaruit al het leven voortkomt. De theosoof zal proberen die eenheid te verwezenlijken, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt naar herkomst of overtuiging.

Een noodzakelijke voorwaarde is de opheffing van egoïsme en egocentrisme. Egoïsme komt voort uit verlangen, de bron van menselijk conflict. Egocentrisme beperkt het inzicht in de krachten van schoonheid, goedheid en waarheid, die in alle mensen aanwezig zijn. De “wijsheid” van de theosofie is de levenshouding van altruïsme, vrede en harmonie.

 

2. Het tweede doel is het zoeken naar een synthese van religie, wijsbegeerte en wetenschap. Hiertussen is volgens de theosofie geen groot verschil, omdat het in deze drie gebieden gaat om de kennis van de eeuwige waarheden. Het betreft de krachten achter de werkelijkheid, die worden gekenmerkt door orde en schoonheid.

De wetenschap ontdekt de wetten die aan de materie ten grondslag liggen. Filosofie en religie zoeken naar de wetten, waaraan het menselijke leven gehoorzaamt. Daarbij worden niet zozeer de strakke methoden van de wetenschap gebruikt, maar het zijn juist het intuïtieve kennen en de kracht van inspiratie, die de mensen op het spoor naar de waarheid zetten.

 

3. Het derde doel is het onderzoek naar de verborgen wetten van de natuur en naar de latente krachten in de mens.

Die vinden hun uitdrukking in de processen van samenhang en van evolutie, waaraan alle dingen en ook het menselijke leven in zijn meest individuele vormen gebonden zijn. Dat wordt het “Goddelijk Plan” voor de wereld genoemd, waaraan wij zelf deel hebben en dat wij moeten leren kennen, teneinde er aan mee te kunnen werken.

De kennis van dit Plan is in hoge mate ontleend aan de oude hindoeïstische geschriften, waarvan de Veda's, de Bhagavadgita en de Upanishads de filosofische grondslag vormen. Het is dan ook niet voor niets dat er steeds een heel nauwe band met India is gebleven.

 

Enkele belangrijke door de theosofie aanvaarde leerstellingen zijn die van de reïncarnatie en van het karma. Daarnaast werden ook andere ideeën ontwikkeld, zoals die van het bestaan van de menselijke “lichamen”, verschijningsvormen van de mens die materieel niet waarneembaar zijn: de mens heeft niet alleen een materieel, organisch lichaam, maar ook een “astraal” lichaam, waarin de emoties en gevoelens geconcentreerd zijn en een “mentaal”, verstandelijk, lichaam. Deze vormen de “aura” (uitstraling) met de daarbij behorende “chakra's” (knooppunten van energie). Die zijn onzichtbaar, maar gevoelige mensen kunnen ze intuïtief waarnemen. Diep verborgen is er dan de ziel, die van goddelijke herkomst en onsterfelijk is.

Voor de theosoof, evenals voor de hindoe, is dit leven maar een kort moment en deel van een eindeloze keten van opeenvolgende levens, waarin men talloze verschijningsvormen en stadia doormaakt. Dat proces kan men beïnvloeden door te werken aan de persoonlijke groei en dat is voor de theosoof de ontwikkeling van de hogere chakra's. Dat duurt net zolang totdat de mens werkelijk wijs is geworden. Dan komt hij of zij misschien nog terug als leraar van de mensheid of men blijft als een helpende of besturende kracht in de onzichtbare wereld aanwezig. De “verlichte” mens wordt deel van een andere, hogere wereld.

De theosofie is een praktische leer, toegankelijk voor iedereen, van welke richting ook. Het gaat erom de uitgangspunten te onderzoeken en te bediscussiëren en op die wijze zelf tot het inzicht in de goddelijke herkomst van alle dingen te komen:

 

“Nature, everything that moves or does not move, the rocks, the earth, minerals, the apparantly inanimate, as well as that which appears animate and mobile, you, me, the insect, everything - all this universe is the dwelling place of a Divine Power of Energy. It is everywhere, without frontiers”.

(Radha Burnier. Human regeneration, p. 47).

 

Behalve dit streven heeft de theosofie nog meer aspecten.

De leer van mevrouw Blavatsky is gebaseerd op oude esoterische geschriften. Daarom werd de Esoterische School gesticht, waarin men van deze leer kennis kan nemen. Deelnemers worden ingewijd in de verborgen krachten die op de aarde en in het universum werkzaam zijn, zoals de hiërarchie van de machten, die het heelal besturen.

Er werd ook een nieuwe kerk gesticht, de Vrij Katholieke Kerk, voortkomend uit de Oud-Katholieke Kerk die uit de 17e eeuw stamt en het gezag van de Paus had afgezworen. Deze kerk ontleent haar rituele dienst in hoofdzaak aan de Anglicaanse Kerk met doop, huwelijksinwijding en ook - evenals bij de soefi's - genezingsdiensten.

 

De theosofen waren in het begin van deze eeuw van mening, dat er een nieuwe religieuze impuls nodig was, omdat de bestaande godsdiensten hun vitaliteit hadden verloren. Zo'n impuls kon alleen komen van een “wereldleraar”, een verlicht mens die de wereld uit de diepe crisis kon halen en de mensheid opnieuw de weg naar het juiste leven zou kunnen wijzen. Zij verwachtten dat die nieuwe leraar uit het oude India met zijn grote religieuze tradities zou voortkomen: dáár immers was het leven en denken nog niet aangetast door het moderne spook van industrialisatie en materialisme; dáár waren de bronnen van spiritualiteit nog aanwezig.

De helderziende Leadbeater ontdekte een 13-jarige jongen op het strand van Madras, Jiddu Krishnamurti, het 8e kind van een eenvoudig Brahmaans gezin uit het bergland van Zuid-India. Hij zag de uitstraling van dit arme, verwaarloosde, kind en wist toen dat dit de jongen was die een nieuwe impuls zou geven aan de wereld die aan de vooravond stond van twee wereldoorlogen en een economische crisis, die grote gevolgen hadden op economisch, politiek en militair gebied.

 

Krishnamurti: gewaarzijn

 

Jiddu Krishnamurti is in 1895 geboren. Hij werd in gezelschap van zijn jongere broer Nitya onder de hoede van Annie Besant, eerst in India en daarna in Engeland voor zijn taak voorbereid.

Teneinde zijn opdracht te kunnen uitvoeren werd een nieuwe orde opgericht, de Orde van de Ster in het Oosten. Deze zou het instrument in de wereld moeten worden voor de nieuwe leraar.

De beide jongens kregen een Engelse opvoeding, vooral in Londen. Krishnamurti ging ook enige tijd naar Parijs. Er werd universitair onderwijs gevolgd, maar niet met veel succes. Hij was meer een wat dromerige jongen en bepaald geen intellectueel. In 1921 kwam hij naar Nederland, omdat het kasteel Eerde te Ommen ter beschikking was gesteld van de orde. Daar vonden de “Ster-kampen” plaats, waar hij toespraken hield die door honderden, later duizenden mensen werden bijgewoond.

Een belangrijke gebeurtenis was de dood van zijn broer in 1925, hetgeen veel verdriet voor hem betekende. Maar zijn gedachten verkregen daarna een grotere diepte en zijn toespraken waren meer geïnspireerd. Hij drukte zich in die tijd uit in geschriften en gedichten met een nogal romantisch-mystiek taalgebruik.

Hoewel hij met de theosofie is opgevoed, heeft hij altijd een grote innerlijke afstand tot de theosofische leringen gehouden. Enerzijds deed hij wel mee met inwijdingen, waardoor hij in contact zou komen met de “meesters”, maar hij had ook weerstand tegen alle ceremoniële poespas en vooral tegen elke suggestie van spirituele autoriteit, waarmee het werk van de orde gepaard ging. Hij was tot de overtuiging gekomen, dat de waarheid een “land zonder paden” is. Georganiseerde godsdiensten beperken de mens in zijn speurtocht naar innerlijke vrijheid en hetzelfde geldt voor religieuze leraren, guru's en sektarische bewegingen. Het is de individuele mens die door zelfkennis kan doordringen tot de diepe werkelijkheid van waarheid en leven, waardoor we de vrijheid kunnen vinden van de beperkende krachten, met name die van onze conditionering door de uiterlijke omstandigheden, waarin we leven.

Krishnamurti legde hiermee de basis van zijn leer en hij heeft dat standpunt tot aan zijn dood in 1986 verkondigd. Voor hem was dit niet alleen een abstracte waarheid, maar hij paste die ook toe door de Orde van de Ster, die was uitgegroeid tot een wereldorganisatie met duizenden leden en vele miljoenen aan kapitaal in 1929 op te heffen.

Dat was een grote schrik voor vele theosofen, omdat hierdoor hun wereldhistorische missie in duigen viel! Sommigen keerden zich dan ook teleurgesteld van Krishnamurti af, maar anderen, waaronder ook Annie Besant, bleven naar hem luisteren. Er werden voor praktische doeleinden kleine organisatorische eenheden opgericht - de “Foundations” en “committees” -, maar een grote organisatie met spiritueel gezag is nooit meer tot stand gekomen.

Krishnamurti ging - met uitzondering van de oorlogsjaren - met zijn werk door, vooral in Nederland, Engeland, India, Californië en later ook in Zwitserland. Hij drukte zich daarbij in meer rationele termen uit dan voordien.

Het kernpunt van zijn leer is de zelfkennis van de individuele mens. Zelfkennis is de gewaarwording (“awareness”) van de eigen psychologische bepaaldheden en beperkingen. Die hebben te maken met onze ervaringen, met begeerte, met angst en vooral met het denken.

Het is dit denken, waarop de moderne mens zozeer zijn vertrouwen stelt, maar dit heeft slechts een zeer beperkte functie en als die wordt overschreden kan het een gevaarlijke macht zijn. Dat geldt niet alleen voor de processen die zich in de wereld voordoen, maar juist ook in psychologisch opzicht. Het denken creëert het ego, het “ik-beeld”, ofwel het denkbeeld dat ieder van zichzelf heeft en dat niets anders is dan een illusie.

Wie de werkelijkheid wil ontdekken, wie wil “zien wat is”, zal zich van de macht van dit “ik” moeten bevrijden. Dat wil zeggen dat wij diep in onszelf moeten kijken, zodat er een voortdurend gewaarzijn is van alles wat er zich in en ook om ons heen afspeelt. Het zijn de machten van gewoonte, begeerte en angst die het denken aan de gang zetten en die ons belemmeren in die gewaarwording.

De meditatie is een hulpmiddel op de weg naar de gewaarwording. Het is een oud begrip uit de oosterse en de westerse godsdiensten, dat door Krishnamurti op een heel andere manier wordt gebruikt. Meditatie vindt niet plaats door gedachtentraining in afzondering, in een klooster of op een eenzame plek in het bos. Het is een innerlijke discipline, die op elk moment en op elke plaats ontstaat als er aandacht is. Daarvoor zijn geen methoden aan te geven, zoals de godsdiensten en de sekten propageren. Het is de zelfdiscipline van de psyche die bezig is zich van zijn eigen beperkingen te verlossen.

Waartoe leidt dat?

Krishnamurti spreekt steeds over een innerlijke vrijheid die verbonden is met liefde, medegevoel en inzicht (“love, compassion and intelligence”). De mens, bevrijd van zijn ik, ervaart een enorme energie, die we in onze termen met het begrip creativiteit of scheppend vermogen zouden kunnen aanduiden. Dat betekent niet dat we kunstenaars of filosofen worden, maar wel dat het leven, ook in de menselijke relatie, “rijk” en vol vervulling wordt:

 

“Dan zult U een geweldige levensvreugde ervaren. U kunt niet denken over vreugde. Vreugde is een onmiddellijk iets, en erover denken verandert het in genoegen. Leven in het heden is de ogenblikkelijke gewaarwording van schoonheid en de vreugde daaraan, zonder er genoegen aan te willen ontlenen.”

(J.Krishnamurti. Laat het verleden los, p. 38).

 

Het voornaamste werk van Krishnamurti was het in velerlei bewoordingen vertellen van zijn gezichtspunten. Hij reisde een groot deel van zijn leven ieder jaar langs vaste plaatsen waar hij zijn toespraken hield. Gedurende de laatste tien tot twintig jaren waren dat Madras (India), Ojai (Californië), Brockwood (Zuid-Engeland) en Saanen (Zwitserland). Meer incidenteel ging hij ook naar andere plaatsen, waaronder Amsterdam.

De meeste toespraken zijn op video opgenomen, evenals een groot aantal gesprekken met wetenschappers, filosofen, geestelijken, leraren, leerlingen en anderen.

 

Naast zijn levensleer heeft hij ook een pedagogie ontwikkeld.

Hij beschouwde de opvoeding als zeer belangrijk voor de ontwikkeling van de mens. Het bestaande opvoedings- en onderwijssysteem was volgens hem gericht op een eenzijdige benadering van de jonge mens en dat is de ontwikkeling van technische en intellectuele vaardigheden. Die zijn nuttig voor de maatschappij, maar voor het verkrijgen van zelfkennis hebben zij geen betekenis. Zij versterken juist het denkvermogen dat daartoe een belemmering vormt.

Daarom moeten we naar een heel andere opvoedkundige praktijk, waardoor de jonge mens tot een geïntegreerd en harmonisch wezen kan opgroeien dat niet geconditioneerd is door de cultuur van de samenleving. Hij heeft daartoe scholen gesticht.

Opvoeden en opleiden is “leren”, maar ook dit begrip heeft een heel andere betekenis dan die van de omgangstaal. Zo zijn er wel leerprocessen nodig, waardoor kennis en bekwaamheid verkregen worden om in de maatschappij te kunnen functioneren. Belangrijker dan de kennis is het leren over het leven en dat is het ontdekken hoe men in een bepaalde situatie bezig is. Welke handelingspatronen volg ik en welke gedachten- en gevoelsassociaties komen bij mij op?

Het gaat om de vraag hoe ik met mijzelf en met mijn medemensen omga. Dat zijn de levenspartner, de vriend of vriendin, de student of de docent, de “baas” of de ondergeschikte in de werksituatie. De relatiepatronen op de school zijn een voortdurende bron van ontdekking, zowel voor de leraar als voor de leerling. Beiden zijn “lerende” over zichzelf en over het leven.

De meeste Krishnamurtischolen staan in India, maar er is er ook een in Californië en een in Engeland. Sommige zijn dagschool, andere internaat. Er is steeds een ruime keuze van het vakkenaanbod, de klassen zijn klein en de processen van onderlinge omgang staan ter discussie. Toch zijn er wel regels en normen, zoals de wenselijkheid dat er examens worden gedaan. Op de internaten wordt vegetarisch gegeten, er wordt niet gerookt en drugsgebruik is niet toegestaan. De sexuele omgang tussen jongens en meisjes is ook niet gewenst.

Met name dit laatste geeft nog wel eens problemen, zoals op de Brockwood-school, een vrij geïsoleerd liggend internaat in Zuid-Engeland. Het overboord zetten van de maatschappelijke normen, die in onze maatschappij een relatief vrije omgang toestaan, blijkt niet altijd zo gemakkelijk! Ik denk dat een zekere mate van tolerantie beter is dan een verbod, maar het is wel nodig dat de betreffende onderwerpen voortdurend in discussie blijven, hetgeen ook feitelijk gebeurt. Dat past bij de volstrekt anti-autoritaire en op het individu gerichte benadering van Krishnamurti.

Ook in dit opzicht zal door een voortdurend leerproces steeds weer de meest juiste benadering ontdekt kunnen worden.

 

Anthroposofie: geestelijke wereld

 

Ook de antroposofie komt voort uit de theosofie.

Niet alle theosofen waren het eens met de richting die Annie Besant en Charles Leadbeater insloegen met hun ideeën over een nieuwe (wereld)leraar die uit India zou moeten komen. Met name de Duitse afdeling van de theosofie zag niets in het nieuwe “Angelsaksische evangelie”. Het hoogtepunt van alle religieuze leringen was die van Jezus Christus en er was volgens hen geen enkele reden om de waarde daarvan te relativeren en al helemaal niet om een nieuwe leraar te creëren, die een soort opvolger zou moeten worden. Het was vooral de Duitse theosoof van Oostenrijkse afkomst Rudolf Steiner die daartegen protesteerde en die zelf een nieuwe richting stichtte, de antroposofie.

 

Theosofie betekent de wijsheid omtrent het goddelijke, anthroposofie is de wijsheid omtrent de mens. Die wijsheid is door Steiner steeds opgevat als wetenschap en de anthroposofie is dan ook een “geesteswetenschap”. Daarmee wordt bedoeld een wetenschap van de geestelijke krachten die in de mens werkzaam zijn. Die krachten worden niet ontdekt volgens de gewone wetenschappelijke werkwijze van het waarnemen van feiten en logische redenering. Steiner was helderziend en kon daardoor in contact komen met de occulte werkelijkheid van de mens en zijn geschiedenis. Zijn wetenschap is dus in feite een openbaringsleer.

Steiner was een productief mens en zijn leer omvat heel wat terreinen van het menselijke leven. Hij heeft geschreven over religie en metafysica, de geschiedenis van de mensheid, de geestelijke krachten werkzaam in het individu, de lichamelijke krachten in de mens en de daarin voorkomende storingen, de structuur van het sociale leven, opvoeding en onderwijs, kunst in relatie met therapie en over de land- en tuinbouw.

Ook heeft hij een nieuwe kerk gesticht, de Christengemeenschap met een priesterschap, een eigen ceremonieel en inwijdingsriten.

De kern van de anthroposofie is de leer van Jezus Christus, vastgelegd in het Nieuwe Testament en ook in het Thomas-evangelie. Maar Steiner was goed op de hoogte van andere oude religieuze en filosofische leringen en praktijken. Hij integreerde evenals de theosofie elementen uit het hindoeïsme, zoals de leer van reïncarnatie en karma en hij maakte gebruik van denkbeelden uit de middeleeuwse kruidenleer en uit de mystiek, waaronder de kleurenleer van Goethe.

 

Het meest fundamentele doel van de anthroposofie is de ontwikkeling van de menselijke geest. Die komt tot stand door training van de hogere kenvermogens in het bewustzijn. Die ontwikkeling komt voort uit de vier gebieden van de menselijke geest: de zintuigen, het denken, het voelen en het willen. Deze corresponderen met de kenvermogens van het sensatieve, imaginatieve, inspiratieve en intuïtieve kennen.

Het sensatieve kennen is het directe waarnemen, waarbij beelden en begrippen worden gevormd. Het imaginatieve kennen heeft betrekking op een beeldvorming die niet aan de wereld van de ervaring is ontleend. Het zijn beelden uit het voorstellingsvermogen, die niet verward moeten worden met fantasieën. Zij worden pas begrepen door het inspiratieve kennen van de zuivere begrippen, die aan de werkzame principes van de realiteit ten grondslag liggen, een soort ideeën van Plato.

De hoogste kenvorm is die van het intuïtieve denken, dat uit het (hogere) Ik voortkomt, waardoor men deel heeft aan de geestelijke wereld, de oergrond van alle dingen die ook de grond van ons eigen wezen is. Het is mogelijk dit vermogen tot intuïtie door studie en training tot ontwikkeling te brengen. De verbinding met de geestelijk-goddelijke wereld verloopt via het “Christusprincipe”, dat ieder mens in zichzelf kan ontdekken.

 

Steiners leer is vooral bekend vanwege de vele praktische toepassingen. Er zijn in sommige landen in de westerse wereld “Vrije Scholen” gesticht, er zijn therapeutische centra, er zijn artsen die met de anthroposofische geneesmethoden werken, we vinden landbouwers en tuinders die de biologisch-dynamische methoden toepassen. Hij ontwikkelde ook een theorie over de driegeleding van de maatschappij, die nog weinig toepassing heeft gevonden.

Het is niet eenvoudig om dat allemaal te beschrijven.

Op de scholen valt een sterk accent op de kunstzinnige vorming. Muziek, literatuur, dichtkunst en toneel vormen een belangrijk deel van het lesprogramma, waardoor het kind minder aandacht kan besteden aan de cognitieve vakken, zoals rekenen en taal. Dat betekent niet dat zij die vakken niet leren, maar de kennis nodig voor het examenpakket, waaraan nu eenmaal voldaan moet worden, komt iets later dan in andere scholen aan bod.

In de geneeskunde wordt veel gebruik gemaakt van homeopathische en natuurgeneeskundige middelen. In de therapeutische activiteiten speelt de kunstzinnige expressie, vooral met kleuren en met muziek een belangrijke rol. Land- en tuinbouwmethoden werken zonder chemische bestrijdingsmiddelen en er wordt rekening gehouden met natuurkrachten, zoals de stand van de maan.

De anthroposofie is een krachtige beweging met een aanzienlijke aanhang in Europa en Amerika.

 

Andere richtingen

 

Er zijn nog andere nieuwe richtingen, die proberen religieuze en filosofische leringen, soms ook met wetenschappelijke beginselen, te integreren.

Zo is er de in Nederland populaire Transcendente Meditatie, die is gesticht door Maharishi Mahesj Yogi. Deze leer gaat ervan uit dat zowel natuurkundige als spirituele processen terug te voeren zijn tot een “Verenigd Veld”. Dit veld is in diepste oorsprong zuivere harmonie en wij moeten daarop onze activiteiten afstemmen. Dat gebeurt door meditatie, waarbij gebruik wordt gemaakt van mantra's. Dat zijn woorden die bij voortdurende herhaling het denken stil leggen, zodat men ontvankelijk wordt voor de krachten van het veld.

Een verbinding tussen diverse religies en de psychotherapie kunnen wij vinden in de leer van Baghwan Shree Rashnees, later Osho genoemd. Hij paste de sexualiteit toe als therapeutisch instrument. De mens moet eerst zijn remmingen en blokkades overwinnen, wanneer hij het pad naar vervolmaking wil volgen. Die weg verloopt via een meester, een guru waaraan de leerling zich over moet geven, zodat hij van zijn ego los kan komen.

Daarnaast kennen we natuurlijk nog meer nieuwe bewegingen, zoals die van de Christian Science, de Baha'i, gebaseerd op de leer van Báb later Bahá'u'lláh (Heerlijkheid Gods) genoemd, Subud, dat is de leer van de Indonesische meester Bapak, de Moonsecte, Sai Baba, Andrew Cohen, de School voor Filosofie, enzovoort. Het totale aantal ligt in Nederland wel boven de vijftig.

Er is blijkbaar behoefte aan iets nieuws.

 

WAT IS OUD EN WAT IS NIEUW?

 

De vier besproken richtingen, die van soefisme, theosofie, Krishnamurti en anthroposofie, zijn mijn inziens vanuit een integratief en reflectief gezichtspunt belangrijk en serieus. Zij hebben baanbrekende principes voor een nieuwe religieuze belevingswijze ontwikkeld. Zij zijn synthetisch in de zin dat zij essentiële kenmerken van de oude godsdiensten en filosofieën hebben opgenomen en deze op een aan onze tijd aangepaste wijze, soms in combinatie met de wetenschap, gebruiken. Er zitten veel elementen in uit de oude religieuze kosmologische voorstellingen en denkwijzen. Men zou de theosofie kunnen beschouwen als een hernieuwd hindoeïsme, het soefisme als een verruimde visie van het mohammedanisme, Krishnamurti als een modern boeddhisme en de anthroposofie als een opnieuw hervormd Christendom.

De nieuwe richtingen kenmerken zich tevens door van de oude godsdiensten afgeleide ethische stelsels en wereldse instituties. Drie van de vier richtingen hebben een eigen kerkgemeenschap. Krishnamurti zet zich wel af tegen de religieuze tradities. Niettemin kan men in zijn leer ook duidelijke overeenkomsten vinden met gedachten uit het boeddhisme en ook met de leer van Plato. Wat vormgeving, met name taalgebruik en communicatiemethode (de video) betreft, is Krishnamurti het modernst.    

Deze vier leringen hebben alle ten doel ons als individuele mensen in contact te brengen met onze innerlijke vermogens, waardoor wij in staat gesteld worden datgene te ervaren, dat als eeuwige waarheid wordt beschouwd. Het gaat om de ontwikkeling naar een hoger niveau van bewustzijn en die ontwikkeling kan slechts via het individu tot stand komen. Deze kan de wetten van liefde, medegevoel, harmonie en waarheid leren kennen en verwezenlijken en zo de gehele mensheid beïnvloeden. Daarom wenden velen zich tot de nieuwe richtingen in de hoop daar iets van die blijvende waarden te vinden.

 

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat dit nieuwe gedachtengoed zich in Nederland, in de westelijke wereld en elders verspreidt.

Wat Nederland betreft zien we dat het soefisme zijn voornaamste centrum in Katwijk heeft, waar een fraaie tempel is gebouwd, maar er zijn ook andere plaatsen waar diensten worden gehouden of meditatie wordt beoefend.

Het centrale theosofische centrum in Nederland is in Naarden. Er worden bijeenkomsten en internationale conferenties gehouden. Opmerkelijk is dat vele theosofische leerstellingen, zoals die van de reïncarnatie, van de aura's en de chakra's ook buiten de theosofische organisaties hun verbreiding vinden, vaak in verbinding met een alternatieve therapie. Zo zijn er aura- en regressietherapieën, waarin getracht wordt storingen in het dagelijkse leven op te lossen door gedachtenkracht of door contact met de aura te maken, ofwel door traumatische ervaringen uit vorige levens tot het bewustzijn te laten doordringen en die opnieuw te beleven. De theosofie is een bron van inspiratie voor wat wel de “New Age beweging” wordt genoemd.

Een sterke groei vertoont ook de antroposofie, die in Nederland alleen al tientallen scholen, pedagogische, therapeutische en medische centra heeft. De scholen zijn voornamelijk die van het basisonderwijs, maar er zijn er ook met voortgezet onderwijs. De Vrije Hogeschool met een éénjarige cursus staat in Driebergen.

Het voornaamste Krishnamurticentrum in Nederland met een zeer uitgebreide documentatie is gevestigd in de Atheneum Bibliotheek te Deventer. Daarnaast kan men op ongeveer 10 plaatsen kennis nemen van zijn leer door middel van video-opnamen van zijn toespraken en discussies. Er is ook een Leerproject met weekend-bijeenkomsten en zomerscholen, waarin over de inhoud van de video's wordt gesproken.

 

De westerse mens die op zoek is naar blijvende waarheid kan binnen deze richtingen zeker veel vinden. Dat hij ook elementen tegen komt die in strijd zijn met de westerse verworvenheden, zoals ritualisme, sektarisme, dogmatisme en autoriteitsgeloof is onvermijdelijk. Dat ligt zeker niet aan de stichters, maar wel aan de mensen die zichzelf als volgelingen beschouwen. Daarom is het noodzakelijk dat de vorm, waarin die waarheid wordt doorgegeven en ook wordt beleefd, steeds vernieuwd wordt.

 

 

 

 

LICHT UIT HET OOSTEN

 

                                        

 

 

 

Deel  III. EEN UNIVERSELE ORDE 

 

“In de wereld van de dingen bestaat niets toevallig, maar alles wordt krachtens de noodwendigheid van de goddelijke aard genoodzaakt op bepaalde wijze te bestaan en te werken.”

(Spinoza. Ethica, Eerste deel, stelling 29, p. 44)

 

 

1. Het integrale wereldbeeld 

 

ORGANISATIE EN ORDENING

 

Nu we de inhouden van een aantal oude en nieuwe leringen en opvat­tingen hebben verkend, kunnen we op zoek gaan naar een nieuw wereldbeeld en een nieuwe, daarop gebaseerde praktijk.

Ik denk dat dit nieuwe wereldbeeld niet zonder meer binnen onze westerse denkpatronen past met hun christelijke, humanistische of materialistisch-mechanisti­sche herkomst. Het is ook niet oosters, zoals we dat kunnen vinden in vele oude en nieuwe spirituele richtingen. Het zal een “integraal” wereldbeeld zijn, dat wil zeggen gebaseerd op de integratie van kennis en voorstelling van westerse en oosterse tradities.

Een integraal wereldbeeld zal bruikbaar moeten zijn in het huidige tijdsbestel, gericht op de vragen en problemen van mensen die in de tegenwoordige verwetenschappelijkte, vertechnologiseerde en geïndustrialiseerde wereld leven. Maar het moet ook antwoord geven op vragen die universeel zijn, dat wil zeggen niet afhankelijk van de omstandigheden in verschillende tijden en op verschillende plaatsen.

Het zal tevens een wereldbeeld moeten zijn, waarin de religieuze, filosofische én wetenschappelijke belevings- en denkwijzen een plaats hebben. De werkelijkheid is niet enkelvoudig, maar veelvoudig en mensen hebben door hun vermogens van willen, voelen en denken verschillende capaciteiten om die werkelijkheid te kennen en te beleven.

Daarom zal ik nagaan wat de hierboven genoemde ideeën over God of Brahman, over transcendentie en manifestatie, over de menselijke ziel en het bewustzijn, over een expliciete en een impliciete orde en over de krachten van verandering in deze wereld, voor ons doel kunnen betekenen.

 

De grondslag voor een nieuw, omvattend wereldbeeld is de stelling dat de wereld, zoals wij die ervaren en zoals wij die uit de bronnen van de wetenschap menen te kennen, slechts een klein gedeelte van de gehele werkelijkheid is. Omtrent de aard van dat geheel kunnen wij slechts veronderstellingen ontwikkelen, dat zijn voorlopige uitspraken die een basis voor het denken en handelen kunnen vormen.

Wij verkeren in de gelukkige omstandigheid dat wij voor de opbouw van zo'n geïntegreerd wereldbeeld niet alleen beschikken over de resultaten van vijf eeuwen wetenschapsbeoefening. We kennen ook het gehele cultuurgoed van de mensheid voor zover dat is vastgelegd in geschreven bronnen en in diverse vormen van kunst, voorstellingen, verhalen en praktijken.

Het zijn de producten van de ervaringen en van de intelligente en expressieve vermogens van mensen, die in de westerse wereld en ook in andere leefomstandigheden, andere plaatsen en tijden hebben geleefd. In hoeverre verwijzen die naar dezelfde levensvragen als die van de huidige westerse mens? Zijn de vroegere voorstellingen, ideeën en intuïties nu nog geldig?

Het zijn vragen, waarop geen definitieve antwoorden bestaan. We moeten zelf zoeken naar nieuwe antwoorden, nieuwe vormen van kennis over de kosmos, de mens en over de maatschappij die nu bezig is te ontstaan. Daarin zullen we misschien veel van de oude waarheden kunnen verwerken.

Ik zal een poging doen zo'n nieuwe vorm te vinden. Deze is gebaseerd op het zoeken naar de verbindende krachten achter alle delen en aspecten van de werkelijkheid en met name achter de dualismen van het ik en de ander, God en de mens, jin en jang, materie en geest:

- de verbinding achter de veelheid van feiten in de wereld van de materie en de daaraan ten grondslag liggende wetten, die we langzaam maar zeker leren kennen,

- de verbinding achter de veelheid van manifestaties in de levende natuur met al zijn vormen en soorten van planten- en dierenleven,

- de verbinding achter de veelheid van menselijke activiteiten met zijn geslachtelijke, religieuze, nationale, etnische, sociale en beroepsmatige verschillen,  

- de verbinding achter de ogenschijnlijke scheiding tussen de werelden van de materiële krachten, van het leven in de natuur en van het menselijk leven.

- de verbinding achter de veelheid van onze persoonlijke impulsen, zoals die zich in ons bewustzijn en in ons handelen manifesteren,

- de verbinding achter de verscheidenheid aan substanties, te weten die van zintuiglijk waarneembare en van op andere wijze kenbare werelden.

 

Het is een zoeken naar de grondslagen van alles dat wij in onze menselijke activiteiten hebben verdeeld in mythologieën, religies, filosofieën en wetenschappen, waarvan vele van onze maatschappelijke instituties zijn afgeleid.

Teneinde tot een begrijpelijk geheel te komen, zal ik toch een onderscheid maken en wel in de eerste plaats in de niveau's van organisatie van de wereld, zoals wij die kennen.

Deze niveau’s worden ingedeeld naar de mate van complexiteit, of wel “horizontaal”:

- het niveau van de niet-levende materie,

- het niveau van de levende natuur (micro-organismen, planten en dieren),

- de drie niveau's van de menselijke samenlevingsvormen, te weten die van de natuurmens, van de cultuurmens en van de “ik-bewuste” mens.

 

Daarnaast wordt een “verticale” indeling gemaakt, volgens de systemen van ordening en de aard van de samenhang daarin: de manifeste orde, de mechanische orde, de evolutionaire orde, de integratieve orde en de bron van al het bestaande ofwel de Universele Scheppingskracht.

Deze tweede indeling is een dieptestructuur gebaseerd op de bovengenoemde kerngedachte van David Bohm, d.w.z. een wereldbeeld op basis van een hiërarchie van ordes.

De meest veruiterlijkte orde, de wereld der verschijnselen, die wij door onze zintuigen waarnemen, is in eerste instantie toegankelijk voor een rationele, wetenschappelijke benadering. De meer verborgen ordes moeten wij op een andere wijze leren kennen, waarbij filosofische beschouwing, redenering en intuïtie belangrijk zijn. Daarbij kunnen wij gebruik maken van al datgene dat daarover reeds in de mythes, de religies en in de filosofische systemen gedacht, uitgebeeld en verwoord is.

Op die wijze is het wellicht mogelijk praktisch-rationele én metafysische uitgangspunten in één wereldbeeld te synthetiseren.

 

DE MANIFESTE ORDE: NIVEAU'S VAN ORGANISATIE

 

Het heelal

 

Dankzij de wetenschap is er het een en ander bekend over het ontstaan en de ontwikkeling van het materiële universum, het heelal.

Aangenomen wordt dat het heelal is ontstaan uit een “oerknal”, de enorme explosie van ongedifferentieerde energie, geconcentreerd in één punt. Door nieuwe metingen is er twijfel ontstaan over deze theorie. Misschien waren er wel meerdere uitbarstingen, terwijl ook de theorie van de constante creatie weer meer aangehangen wordt. Bij die uitbarsting(en) of moment(en) van creatie is de energie verspreid en heeft daarbij aanvankelijk de deeltjesvorm aangenomen, de quarks, mu-deeltjes en hoe ze ook mogen heten. 

Er was een onmetelijke ruimte, vol nevel en duisternis. We vinden de beschrijving van deze situatie terug in oude geschriften.

In de Griekse mythologie naar Aristophanes staat:

 

“In den beginne was er de Chaos en de Nacht”.

(Georges Méautis. Mythologie der Grieken, p. 23)

 

De deeltjes van deze geconcentreerde energie sloten zich aaneen tot atoomkernen die zich omringden met elektronen. Zo ontstond het atoom en wel het meest eenvoudige, dat van de waterstof, dat slechts één electron heeft. Het atoom met zijn vaste structuur vormde de basis van de materie.

Door de onderlinge aantrekking van grote hoeveelheden waterstofatomen gingen deze zich met elkaar verbinden tot helium, waarbij energie werd uitgestoten. Die energie noemen wij licht. Uit de “kosmische orgie” van exploderende en kolkende massa's ontstonden meer complexe materievormen en daaruit vormden zich de sterrenstelsels, de sterren, de planeten, waaronder de aarde, de kometen enzovoort. Daarbij behoort ook ons zonnestelsel met de zon als centrum, één van de miljarden sterren, die onze langzaam wentelende melkweg rijk is en deze is weer één van de miljarden sterrenstelsels, die er in het heelal aanwezig zijn.

Onze aarde is maar een nietig stofje in die immense ruimte. Zelfs veel minder dan dat. Als we de omvang van het heelal gelijk zouden stellen met die van de aarde, is het niet eens één honderd miljoenste deeltje van een millimeter.

De ruimte kreeg dus vorm en ook beweging. Zo ontstond de tijd, want beweging is tijd. De vormen vloeiden voort uit de materie, de opeenhopingen van atomen en moleculen van eenvoudige tot zeer complexe structuren. Dat geldt ook voor de stoffen die nodig zijn voor het ontstaan van de levensvormen.

Waar dit nog steeds expanderende heelal naar toe gaat, is niet bekend. Eén veronderstelling is dat het uiteindelijk weer inkrimpt, waarna een nieuwe scheppingsronde begint. Ook deze voorstelling vinden we terug in oude geschriften en wel de Bhagavad Gita:

 

“De werelden met het gehele rijk der schepping komen en gaan; ..

Zij die de kosmische dag en de kosmische nacht begrijpen, weten dat één dag van de schepping duizend kringlopen is en de nacht van gelijke lengte.....

Bij het aanbreken van die dag stromen alle objecten uit ter manifestatie van het ongeopenbaarde en als de avond valt, worden zij er weer in opgelost”

(Baghavad Gita. Hoofdstuk VIII, vers 16,17 en 18. Een kringloop of “yuga” is een zeer lange periode in de geschiedenis).

 

De levende natuur

 

Het leven op deze aarde is vermoedelijk ontstaan in een hete “oersoep” van water, steen en damp. Misschien zijn de bouwstoffen van de levende cel, eiwitten en aminozuren, geleverd door meteorieten, maar dat is niet zeker.

In ieder geval hebben zich uit de combinatie van de aanwezige bouwstoffen levende wezens ontwikkeld. Die gingen zich vermeerderen, kregen verschillende vormen en eigenschappen en zo ontstonden de vele soorten: ongewervelde dieren, vissen, reptielen, planten, insecten, vogels, zoogdieren die in de zee, op het land en in de bomen leven.

Volgens de theorie van Darwin ontstonden de variaties omdat, de meeste soorten zich door het mechanisme van mutatie en selectie aan veranderde omstandigheden aangepaste eigenschappen verwierven, waardoor zij zich konden handhaven. De soorten die zich niet konden aanpassen, stierven uit. Dit proces gaat nog steeds door. Het is de vraag of zich door een opeenhoping van veranderingen ook nieuwe soorten met meer vermogens hebben ontwikkeld, hetgeen tot evolutie zou leiden. Dit deel van die theorie is nog niet duidelijk en daarom nog steeds object van onderzoek.

Welke eigenschappen zijn er ontstaan?

In de eerste plaats moet een eencellig organisme, een plant of een dier voedsel kunnen opnemen. Verder zijn er mechanismen van voortbestaan. Teneinde niet door andere dieren opgegeten te worden, moeten zowel de planten als de dieren eigenschappen ontwikkelen, waardoor overleven mogelijk wordt. Dat kan zijn een hoge mate van voortplanting, een hoge snelheid en wendbaarheid bij de vlucht, giftige afweer, schutkleuren of juist kleuren die schrik aanjagen, enzovoort.

Door veranderingen van de eigenschappen zijn er meer variëteiten en meer vormen ontstaan, waarbij zich de eigenschappen van bewegelijkheid, van meer complexe communicatie en het elementaire gebruik van gereedschappen konden ontwikkelen. 

Er zijn momenteel miljoenen biologische soorten met verschillen in vorm, kleur, klank, beweeglijkheid en vermogen tot overleven.

 

De mens en zijn cultuur

 

In de volledig ontwikkelde natuur met zijn eindeloze variaties aan levensvormen kon een nieuwe, hoger ontwikkelde vorm van leven verschijnen.

De “homo erectus” is waarschijnlijk circa 4 miljoen jaar geleden in Zuid-Oost Afrika ontstaan. Via diverse intussen uitgestorven menselijke rassen kwam ongeveer 100.000 jaar geleden (volgens de laatste gegevens veel eerder) de “homo sapiens” tot ontwikkeling, de Cro Magnon-mens, waarvan alle bestaande menselijke rassen, volken en groepen afstammen.

Mensen beschikken over een meer complex gebruik van taal en klank dan dieren. De hogere diersoorten gebruiken misschien enkele tientallen of honderden verschillende klanken. Het semantisch vermogen loopt bij de (huidige) mens op tot enkele tienduizenden woorden met elk een aparte betekenis. Taal is het centrale kenmerk van het menselijke bewustzijn, maar daarnaast gebruiken wij ook symbolen, zoals getallen en beeldvormende voorstellingen en wij maken ook muziek.

 

De eerste mensen van de soort homo sapiens leefden samen in stamverbanden, waarvan sommige nomadisch en andere sedentair (ter plaatse verblijvend) levend. Een steeds kleiner wordend deel van de mensheid leeft nog steeds op deze manier.

De natuurmens is voor voedsel en bescherming afhankelijk van hetgeen de directe natuurlijke omgeving oplevert. De stammen zijn vreedzaam of oorlogszuchtig. De technische middelen (vuur, speer, naald), de culturele expressie (magische dans, versiering) en de sociale regels (exogamie) zijn elementair. De organisatie is slechts in beperkte mate hiërarchisch (stamhoofd, medicijnman).

De denkwereld van de stam is bepaald door magie en mythologie. Dat komt tot uiting in rituelen (de dans), verhalen en afbeeldingen (de godheid en de totem), die de stameenheid symboliseren. Die eenheid is nodig in de strijd voor overleven, zowel tegenover de natuur als tegenover andere stammen, die het territorium in bezit willen nemen.

Het bewustzijn van de stamsamenleving is collectief. Een individueel bewustzijn is nog nauwelijks ontwikkeld. Er zijn stammen, waar het persoonlijk voornaamwoord “ik” niet bestaat. De kenvorm is instinctief, dat wil zeggen die van de directe biologisch bepaalde reactie op de omgeving.

De aan een territorium gebonden stammen kregen veelal ruzie over de afbakening van het grondgebied en zo ontstond de gewapende strijd. De oorzaken waren in de regel de bevolkingsdruk en de veranderde klimaatomstandigheden.

Het conflict is een fundamenteel kenmerk van het menselijk leven. De verliezers werden onderworpen, gedood en/of tot slaven gemaakt en de territoria werden samengevoegd. Zo ontstonden grotere bestuurlijke eenheden met een strikte sociale hiërarchie, zoals de koninkrijken uit de antieke tijd. De paleizen en tempels vormden de kernen waaromheen zich grotere nederzettingen konden ontwikkelen, de stad.

 

De stad-staat was de tweede evolutiefase van het menselijke leven, die van de cultuurmens, gekenmerkt door het leven in de stad, de “polis”. Deze kwam ongeveer 10.000 jaar geleden tot ontwikkeling in het Midden-Oosten op de vruchtbare vlakten van de Jordaan (Jericho), van de Eufraat en de Tigris (Uruk) en in Turkije (Catal-Hüyük).

Maar ook de stad-staten kregen conflicten. Daarom probeerden zij elkaar te onderwerpen, zoals op prachtige wijze is beschreven in de epische verhalen van Homerus' Ilias en de Ramayana uit het oude India. De overwinnaars roofden alles wat zij vonden en de onderworpenen werden veroordeeld tot slavernij. Dat was de situatie in het oude Egypte, in Mesopotamië, het oude Griekenland en Rome, het oude China en zo ontstond ook de kaste-samenleving van het oude India.

De voorziening in het levensonderhoud in de stedelijke samenleving vond en vindt nog steeds plaats door landbouw, veeteelt, handel en ambachtelijke productie. De techniek kent een zekere mate van vooruitgang door de kennis van het metaal (brons en ijzer), nodig voor de bewerking van steen voor de bouwwerken en voor de productie van wapens. Er wordt gebruik gemaakt van dieren, zoals het kameel, het paard en de os, men gaat het wiel gebruiken en er is ook kennis van het schrift. Die zijn van belang voor het bestuur en voor het militaire apparaat. De sociale organisatie is hiërarchisch (koningschap, adel, priesters, kasten en standen).

De kleine koninkjes werden “grote koningen”, die nationale staten en zelfs wereldrijken stichtten. Zij beschikten over macht en rijkdom. Dat waren de voorwaarden voor de opkomst van de meer ontwikkelde vormen van de religie en van kunst, zoals de dans, de muziek, de poëzie en vooral van de wonderen van de architectuur, zoals de pyramiden, paleizen en tempels. De grote rijken konden alleen bestaan door een sterke centralistische organisatie en het vertoon van militaire kracht. Koningschap en godsdienst waren de dominante machten in de samenleving. Het individu had geen enkele betekenis.

De oude culturen van China, India, Egypte, Griekenland, Rome en het Midden-Oosten waren de krachtige impulsen voor de vernieuwing, die de laatste vierduizend jaar de verschillende wijzen van leven in het cultureel ontwikkelde deel van onze wereld vorm gegeven hebben. Daar ontstonden ook de grote religieuze stromingen van boeddhisme, hindoeïsme, christendom en islam.

De cultuurmens kent een ontwikkeld vermogen tot culturele expressie (literatuur, drama, muziek, schilderkunst, architectuur). Er bestaan bepaalde vormen van wetenschap (astronomie, wiskunde) en er zijn wettelijke regelingen.

Het denken van de cultuurmens is bepaald door de ideeën en voorstellingen van de etnische, nationale of religieuze groeperingen, meestal in combinatie. Dat wordt uitgedrukt door mythologische en historische verhalen, door religieuze en andere praktijken en door verering van algemeen aanvaarde symbolen, zoals godheden, heiligen, de koning of de vlag. De monotheïstische voorstellingen kunnen in zekere mate die tegenstellingen overbruggen. Zij zijn de bronnen van een meer universalistische denkwijze.

Door deze cultureel bepaalde, maar in feite ideologisch verankerde bewustzijnsinhoud wordt de hiërarchische structuur van de gemeenschap, evenals de doelstellingen daarvan aanvaard. De indoctrinatie met de principes van autoriteit en gezag garandeert het voortbestaan van de bestaande sociale verhoudingen. Daardoor kunnen processen van uitbuiting, oorlog en massamoord als legitieme verschijnselen door de massa’s van een volk of een groep worden geaccepteerd. De geschiedenis heeft dit wel ruimschoots bewezen en dit mechanisme treedt nog steeds op.

Het bewustzijn van de cultuurmens is enerzijds nog bepaald door de collectiviteit van de sociale eenheid met de daarbij behorende symboliek. Daarnaast treedt ook een individualiseringsproces op ten gevolge van de scheiding van sociale functies en posities, waarbij we denken aan de stand of kaste, geslacht en beroepsgroep. Het mentaal-analytische denken wint daardoor steeds meer veld.

 

Het is het christelijke Europa van de laatste vijf eeuwen geweest, geïnspireerd door de Grieks-Romeinse cultuur, dat aan de wereldgeschiedenis een nieuwe wending heeft gegeven door de erkenning van de waarde van het individu, door de ontwikkeling van nieuwe kunstvormen, door de verbreiding van de wetenschap en de daarbij behorende snelle technologische verandering, door de industrialisatie en door het principe van democratie in de politieke besluitvorming.

De grondprincipes van deze totaal nieuwe wijze van leven zijn in Italie in de 14e en 15e eeuw ontstaan, verder ontwikkeld in de 16e, 17e en 18e eeuw in Frankrijk, Nederland en Engeland, in de 19e eeuw overgenomen door Duitsland en andere Europese landen, in de 20e eeuw door de Verenigde Staten, Canada en Australië. In technisch opzicht zijn in deze eeuw ook Oost-Europa en Oost-Azië gevolgd, maar op sociaal en ideeël gebied hebben zij nog geen aansluiting gevonden. China, India en Zuid-Amerika zullen op termijn zeker volgen.

De meest complexe menselijke organisatievorm is de samenleving die zich nu begint te manifesteren: de wereldsamenleving, gekenmerkt door de ik-bewuste mens. Deze leeft voor het merendeel in de massa-stad, de “megalopolis”. De wijze van organsatie is nog steeds nationaal, maar deze wordt meer en meer bovennationaal en mondiaal.

De productie is naast die van de bovengenoemde vormen gebaseerd op de (groot)industrie en de (massa)dienstverlening. Daarbij wordt gebruik gemaakt van gespecialiseerde wetenschappelijke kennis en van hoogontwikkelde technieken, waaronder die van de informatie- en communicatietechniek. De productie- en vervoerssystemen zijn gemechaniseerd en deels geautomatiseerd.

De politieke structuur wordt gekenmerkt door de democratische besluitvorming, de vrijheid van meningsuiting en het respect voor de mensenrechten. Het militaire apparaat is geïntegreerd in supranationale eenheden.

De denkwijze is in de eerste plaats gebaseerd op een ik-bewustzijn, voortkomend uit de gedachte van een “vrije wil”. De ik-bewuste mens heeft een grote vrijheid van keuze en van meningsvorming. Hij (zij) kan tot op zekere hoogte zijn eigen lot bepalen en dat ondersteunt de gedachte dat hij/zij in de meest ideale samenleving leeft. De individuele vrijheid legitimeert bestaande structuren, die op zichzelf veelal ondoorzichtig zijn.

Daarnaast ontstaat langzamerhand ook een wereld-bewustzijn, het idee dat de grote problemen, zoals die van armoede, milieuvernietiging en oorlog op wereldniveau opgelost moeten worden. Dit komt tot uiting in o.a. het werk van de Verenigde Naties en van velerlei mondiaal werkende organisaties op de gebeiden van het milieu, de hulpverlening en de mensenrechten (“non-governmental organisations”).

Dit bewustzijn zal ook leiden tot nieuwe vormen van kennis, die in staat zijn wereldproblemen op een geïntegreerde wijze te analyseren en tot oplossing te brengen. Daartoe behoort ook de integratie van religieuze en filosofische concepties leidend tot een interculturele oriëntatie.

Door de nieuwe transport- en  communicatiemogelijkheden ontstaat er nu een wereldsamenleving met een zeer complexe structuur van productie, besluitvorming en culturele ontwikkeling. Kenmerken van dit nieuwe samenlevingstype zijn met name het samenleven in supranationale eenheden, de ontwikkeling van een ik-bewuste persoonlijkheid en de opkomst van nieuwe denkwijzen.

 

DE VERBORGEN SYSTEMEN VAN ORDENING: WETTEN, BLAUWDRUKKEN EN PRINCIPES

 

De wereld van de verschijnselen, ingedeeld naar niveau's van organisatie, is de meest uiterlijke, “expliciete” vorm van de werkelijkheid.

De verborgen systemen van ordening hebben betrekking op de “impliciete” wijzen, waarop de werkelijkheid is geordend, waarbij men een onderscheid kan maken tussen de verschillende “diepte-structuren”, respectievelijk:

- de mechanische orde,

- de evolutionaire orde,

- de integratieve orde.

Iedere orde heeft zijn eigen structuur en wijze van functioneren, die door geheel verschillende bronnen van kennis kunnen worden begrepen.

 

De mechanische orde: wetmatigheid

 

De eerste verborgen orde is die van samenhang en beweging, de orde van de statica. Het is de orde die door de wetenschappen - met de vijf genoemde niveau's van organisatie - wordt bestudeerd: het wetmatige, causale functioneren van eenheden, van het laagste niveau van organisatie (het atoom) tot het hoogste (de wereldsamenleving). Binnen deze orde is er geen spontane verandering, geen “vrijheid” mogelijk. Er is volstrekte determinatie.

 

Op het niveau van de materiële, niet-levende werkelijkheid kennen we de natuurkundige en chemische wetmatigheden, zoals die van de zwaartekracht en van de chemische verbindingen. De samenhang is die van de volstrekte causaliteit op grond van wiskundig formuleerbare relaties tussen deeltjes, krachten en eenheden. Elke gebeurtenis is oorzakelijk bepaald door andere voorafgaande gebeurtenissen.

Dat geldt voor de materiële werkelijkheid, waarmee wij in het dagelijkse leven te maken hebben. Dat de voorspelbaarheid van de kleinste deeltjes van de materie niet meer causaal, maar alleen nog statistisch bepaald kan worden, heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat wij geen instrumenten hebben om de zich daarbij voordoende gebeurtenissen precies waar te nemen.

Ook op het gebied van de astronomie treden afwijkingen van het mechanische model op. Objecten die zich met de snelheid van het licht of in die buurt bewegen, krijgen een bijna oneindige massa en de tijd vertraagt. Massa en tijd zijn dus gerelateerd aan beweging.

Voor onze ervaringswereld zijn deze gegevens, vastgelegd in quantumtheorie en relativiteitstheorie, niet erg relevant. Het betreft een andere soort causaliteit, maar er is geen willekeurigheid. Alle gebeurtenissen kunnen worden beschreven door de wiskunde.

 

De levende natuur is afhankelijk van de materiële omstandigheden. Het leven kan alleen bestaan op basis van de wisselwerking van de natuurelementen aarde, water, lucht en licht en ook omdat er een geschikt temperatuurniveau met beperkte variaties is. Maar al is er een afhankelijkheid van de materiële omstandigheden, de levende vorm heeft zijn eigen wetmatigheden, zoals het ontstaan, groei en vergaan, de drang tot overleven en tot voortbestaan van de soort en de aanpassing aan de omgeving.

De biologie onderzoekt de wijzen van functioneren van de natuurlijke systemen. Zo maken de levende vormen deel uit van de ecologische kringloopprocessen. Zij kunnen niet bestaan zonder de kringloop van het water, die de grond vruchtbaar maakt. De planten, die daarop groeien, stoten de zuurstof uit die de dierlijke levensvormen, zowel in het water als op het land, nodig hebben. De resten van de planten zelf produceren de vruchtbare grond, waardoor groei mogelijk is. De planten en de lagere diersoorten dienen weer tot voedsel voor de hogere soorten, maar soms geldt dat ook omgekeerd.

Deze kringloopprocessen vinden plaats binnen min of meer gesloten ecologische systemen, zoals die van het oerwoud, de steppe, de woestijn, de rivier, de zee enzovoort. Die systemen maken weer deel uit van het ecologische systeem van de aarde. Het zijn complexe mechanismen met eigen wetten van samenhang en verandering.

 

Ook het menselijk samenleven vindt plaats in bepaalde vormen: een samenleving kan men beschouwen als een complex sociaal systeem. Daarin zijn de politiek, de economie en de cultuur de voornaamste interdependente factoren. De rol van de cultuur als aangeleerd gedrag is daarin veel belangrijker dan bij de lagere vormen van leven.

Zo moet een sociale structuur met verschillen in macht en rijkdom in overeenstemming zijn met een bepaalde vorm van maatschappelijk bepaald denken, die wordt uitgedrukt in het daarbij behorende complex van voorstellingen en ideeën, dat is de ideologie. Past de ideologie niet bij de structurele kenmerken van een samenleving, dan kan instabiliteit in het systeem ontstaan met als gevolg conflict (sociale spanning, oorlog, revolutie).

Het nog niet bekend, waar de plotselinge veranderingen, bijvoorbeeld door nieuwe ideeën vandaan komen. We weten ook niet of nauwelijks hoe en waarom psychische en sociale spanningen, zoals depressie, zelfmoordneiging, discriminatie, criminaliteit, etnisch conflict, (burger)oorlog en (massa)moord, ontstaan. De sociale wetenschappen zijn nog niet ver gevorderd.

Daarbij zou men een uitzondering kunnen maken voor de economie, waarin juist de wiskundige principes goed toepasbaar zijn. De andere aspecten van het menselijk handelen zijn veel minder goed kenbaar. Het gaat daarbij om een veelheid van factoren die de menselijke motivatie beheersen: biologisch, psychologisch, sociaal en cultureel. Van de onderlinge relatie daartussen weten we nog weinig en er worden ook nauwelijks pogingen ondernomen om daarin verandering aan te brengen. 

 

De wetenschappen onderzoeken de logisch-causale samenhangen, vooralsnog binnen elk systeem afzonderlijk. In de wereld van de materie zijn daarin grote vorderingen gemaakt. Ook in de biologie komt men snel verder, met name door het DNA-onderzoek. De kennis van de menselijke structuren, te weten zijn psyche en zijn samenlevingsvormen, waarover wel enige theorie is ontwikkeld, gaat slechts langzaam vooruit.

De mechanische orde is die van de strikt gedetermineerde wijze van functioneren van systemen. Dat betreft de opbouw van de materie, de ecologische systemen, het systeem van de menselijke psyche en de sociale systemen van de verschillende samenlevingsvormen. Ieder systeem staat op zichzelf, maar is eveneens interdepent met alle andere systemen. Dat geldt ook voor de samenhang van de sociale structuren met de ecologische systemen.

Er is nog weinig samenwerking binnen en tussen de betreffende wetenschappen.

 

De evolutionaire orde: blauwdrukken

 

De evolutionaire orde betreft de krachten van verandering en ontwikkeling, de orde van de dynamica. Deze hebben een duidelijk teleologisch element: het voortbrengen van verschijningsvormen van een hoger niveau. Deze orde is meer verborgen dan de mechanische orde, omdat evolutionaire processen zich over relatief lange tijdsperioden manifesteren.

Kenmerken van evolutionaire processen zijn: toename van complexiteit en van beheersing van de omgeving. Een aspect is ook, dat binnen elke nieuwe manifestatie een variatie van vormen en capaciteiten ontstaat, waarbij zich op het gegeven niveau van complexiteit bijzondere exemplaren kunnen ontwikkelen.

 

De eerste evolutionaire stap in de ontwikkeling van het (materiële) heelal is die van de overgang van chaos naar georganiseerde materie. Na de “oerknal” of de momenten van schepping, zijn de atomen en de moleculen ontstaan die in hun enorme aantallen vorm hebben gegeven aan de sterrenstelsels, quasars, sterren, planeten, kometen, manen, ruimtestof, donkere materie enzovoort.

Statistisch gezien kan zich alleen bij hoge uitzondering de omstandigheid voordoen, dat er planeten met levensvormen ontstaan. Voor zover wij momenteel weten is dat binnen ons zonnestelsel het geval op onze planeet Aarde, terwijl er aanwijzingen zijn, dat er ook op Mars leven, misschien wel in de menselijke vorm is geweest. De waarneming van droge rivierbeddingen en van een berg lijkend op een menselijk gezicht (“het gezicht van Mars”), zouden daartoe aanwijzingen kunnen vormen.

We weten niet, wat de oorzaak van het ontstaan van leven is.

Volgens Steven Weinberg zouden bij uiterst kleine afwijkingen van de bestaande natuurkundige constanten, die de uiteindelijke vorm van de materie hebben bepaald, noch het heelal in zijn huidige vorm, noch levensvormen kunnen bestaan. Indien er bij de ontwikkeling van ons zonnestelsel slechts kleine afwijkingen waren geweest in de vorming van de planeten, zou er op deze aarde geen leven zijn.

Er wordt in de natuurkunde wel gesproken over het “antropisch principe”. Dat wil zeggen dat het ontstaan van het heelal met zijn materiële en zijn levensvormen niet willekeurig is. Het zou van te voren al vast liggen, dat er (complexe) levensvormen mogelijk zijn.

Het leven op deze aarde is afhankelijk van de ecologische systemen met hun natuurlijke kringlopen, die het proces van evolutie mogelijk maken. Het is de vraag of dat te verklaren is uit de variatie door mutatie en selectie van exemplaren van een soort, waardoor nieuwe soorten ontstaan. De bioloog Gould acht de theorie van Darwin daarvoor ongeschikt:

 

“Natural selection is therefore a principal of local adaptation, not of general advance or progress”

(Stephen Gould. Scientific American, p.63)

 

De biologische evolutie is volgens hem geenszins het uitsluitende gevolg van dit proces. Het zijn juist de bijzondere gebeurtenissen, zoals plotselinge veranderingen, die de evolutie als proces gericht op het ontstaan van meer complexe vormen, hebben bevorderd.

Daarbij kan men denken aan het inslaan van meteorieten met organisch materiaal, waaruit zich de elementaire vormen van leven hebben ontwikkeld. Een voorbeeld is ook de catastrofe die heeft geleid tot het uitsterven van de sauriërs, waardoor de evolutie van de zoogdieren tot en met het ontstaan van de mens mogelijk werd.

Van de diverse soorten uit de primaten voortkomende menselijke levensvormen is alleen de Cro-Magnonmens overgebleven. Deze oorspronkelijk in stamverband levende mens, heeft zich ontwikkeld tot de cultuurmens, terwijl we nu het ontstaan van de ik-bewuste mens meemaken.

Ook hierbij kunnen we de gedachte van Gould toepassen:

 

“Humans arose ..., as a fortuitous and contingent outcome of thousands of linked events, any one of which could have occurred differently and sent history on an alternative pathway that would not have led to consciousness” (idem p.64)

 

Door welke “toevallige” gebeurtenissen de menselijke soort kon ontstaan, die over 4x zoveel herseninhoud beschikt als het meest verwante zoogdier - de chimpansee -, is niet bekend.

 

Evolutionaire verschijnselen hebben te maken met complexiteit, beheersing van de omgeving en variatie.

De toename van complexiteit bij het ontstaan van de menselijke levensvormen kunnen we onder meer vaststellen aan de hand van de ontwikkeling van het technisch vermogen en van het taalgebruik. Die zijn enerzijds het gevolg van toegenomen physiologsiche mogelijkheden, zoals de structuur van de hersenen, maar er is ook een verband met de organisatievorm van de maatschappij, die in onze psychische vermogens tot uitdrukking komt.

De toenemende complexiteit van de samenleving zien na het ontstaan van de cultuurmens in de instelling van maatschappelijke hiërarchieën, in de vorming van staten en statenbonden en in de daarbij behorende technologische vernieuwingen. In de huidige ontwikkeling worden we geconfronteerd met wereldwijde productiesystemen, met een zeer complexe technologie en daardoor ook met een grote verscheidenheid van beroepen en kennisvormen, die hun functie binnen het maatschappelijke systeem als geheel hebben.

De technologische vooruitgang is tevens bepalend voor de beheersing van de (natuurlijke) omgeving. Door complexe vervoerssystemen, productiestructuren, biotechnologische en medische ontwikkelingen worden wij minder afhankelijk van de natuur.

Ook variatie is een evolutionaire variabele. Die komt tot uiting in de diversiteit binnen samenlevingseenheden door sociale, beroepsmatige, etnische, nationale, en religieuze kenmerken.

 

Een vraag is hoe die toenemende complexiteit, beheersing en variatie binnen de menselijke soort is ontstaan. Ik heb al verwezen naar het feit dat de ontwikkeling van de mensheid plaats heeft gevonden door strijd, waaronder oorlog. Die heeft geleid tot combinatie, samensmelting van groepen in steeds grotere organisatorische eenheden, veelal gekenmerkt door concentraties van macht en een strikte sociale hiërarchie. Die nieuwe eenheden hebben de mensheid niet alleen maar strijd en leed, maar ook positieve resultaten gebracht, zoals kunstzinnige uitingsvormen, architectonische wonderwerken, wetboeken, technische vooruitgang, massale productie van goederen, complexe ideeën stelsels en een toenemende welvaart.

 

Voorlopig kunnen we dan ook zeggen, dat de evolutie van de mensheid het resultaat is van combinaties van bijzondere gebeurtenissen, die vermoedelijk te maken hebben met een cyclisch-evolutionair proces, gekenmerkt door conflict, chaos, verandering en ontwikkeling naar een hoger niveau van complexiteit, waarbij sprake is van toenemende capaciteiten. Naar ik meen is dat een gevolg van een teleologisch bepaald proces, waarin de cyclus van crisis en verandering in een van te voren bepaalde richting verloopt.

Deze veronderstelling zouden we tevens kunnen afleiden door gegevens uit de mythologie. Zo kennen we het bijbelse verhaal van de verdrijving uit het paradijs. Dat zou kunnen duiden op een natuurramp, bijvoorbeeld een vulkaanuitbarsting (“een engel met een vlammend zwaard”), die de homo erectus verdrijft uit een natuurlijke situatie van overvloed. De mens verspreidt zich over de wereld, moet zich aanpassen aan moeilijke omstandigheden en verkrijgt daardoor kennis (de “boom der kennis”).

Een andere bijbelse mythe, die van de zondvloed, komt voort uit de Babylonische mythologie. Ditzelfde verhaal vinden we in vele delen van de wereld, zoals Scandinavië, Polynesië en bij sommige indianenstammen. Er zou ook een verband kunnen bestaan met Plato's beschrijving van de ondergang van Atlantis. Ook deze verhalen verwijzen vermoedelijk naar gebeurtenissen, die te maken hebben met crisissituaties gevolgd door verandering en ontwikkeling, waarschijnlijk het ontstaan van de cultuurmens en de stedelijke samenleving.

Men kan de gedachte van de samenhang van crisis en evolutie ook toepassen op de recente geschiedenis:

De periode van oorlog en vernietiging van 1914 tot ca 1950 (wereldoorlogen, revoluties, koloniale vrijheidsoorlogen, burgeroorlogen, massamoorden, economische depressie) hebben een wereldwijd evolutieproces mogelijk gemaakt. In deze periode zijn de oude maatschappelijke structuren, die het leven van de cultuurmens kenmerkten, afgebroken. Het koningschap, de adel en de kerk die eeuwenlang de maatschappelijke ontwikkeling hebben bepaald, verloren hun macht.  Hetzelfde geldt voor de rol van Europa als wereldmacht.

Door het verdwijnen van oude structuren werden nieuwe ontwikkelingen mogelijk: democratisering, technologisering, welvaartsvermeerdering, kennisvermeerdering, emancipatie van onderworpen sociale groepen (arbeiders, vrouwen) en volken en vooral het individuele ik-bewustzijn als belangrijke cultuurkenmerken.

Het proces van evolutie van de menselijke soort in zijn nieuwste fase is nog in volle gang. Het is een door niemand bedoeld of gewild proces dat alleen begrepen kan worden, indien het eindresultaat al van te voren vast staat. Dat wil zeggen dat de “blauwdruk” er al is.

Vele mensen hebben al eerder het vermoeden gehad van die mogelijkheid tot vooruitgang en daaraan op verschillende wijzen uiting gegeven: het (oosterse) streven naar “verlichting” van het individu; de (christelijke) gedachten van de verlossing en van een komend duizendjarig rijk van vrede; het (humanistische) ideaal van een maatschappij van welvaart en vrijheid en de (socialistische) utopie van een klasseloze samenleving kunnen als cultureel bepaalde uitdrukkingsvormen van een reeds aanwezig, maar nog verborgen doel, de verdere menselijke evolutie, worden beschouwd.

Dat doel is niet volgens de regels van de logica te ontdekken. Het gaat hier om een andere, filosofische wijze van kennen en begrijpen, waarbij de intuïtie ofwel het scheppend voorstellingsvermogen een belangrijke bron is. Alleen op die manier kunnen wij ontdekken wat de verborgen doeleinden van het proces van evolutie kunnen zijn.

De evolutie is geenszins het resultaat van toevalligheden van welke aard ook. De evolutie van de materie, van de levensvormen en van het menselijk leven en samenleven komt voort uit crisisverschijnselen, leidend tot toenemende complexiteit, beheersing en varatie. De uitkomst van die processen ligt van te voren vast. Het zijn de blauwdrukken van de evolutie, die in het verloop van de tijd gerealiseerd worden.

Evenals de wetten van samenhang en aanpassing, maken deze blauwdrukken deel uit van de verborgen ordes, die de werkelijkheid, zoals wij die kennen bepalen. Daarbij gaat het om de vormen, de capaciteiten en de structuren in algemene zin. Daarbij kan men denken aan het atoom, de molecule, het ééncellige diertje, de plant, de vis, de vogel, het zoogdier, de natuurmens, de cultuurmens, de ik-bewuste mens en de daarbij behorende maatschappelijke structuren.

Zo is de mens geschapen door God naar zijn beeld: “naar het beeld van God schiep Hij hem”. Dat wil zeggen dat “zijn beeld” al bestond vóór de verschijning van de mens. Deze nog onbewuste mens moet in een geschiedenis van enkele miljoenen jaren een ontwikkelingsproces doormaken, dat uitmondt in een nieuwe wereld, waarvoor in de huidige tijd de grondslagen worden gelegd.

Het is onze taak deze processen en de daarbij behorende impliciete doeleinden te ontdekken en in hun betekenis te leren begrijpen. Door intuïtie en integraal denken kunnen we de blauwdruk vinden van de nieuwe wereld, die ná die van de ik-bewuste mens zal ontstaan.

Die blauwdruk heeft alles te maken met de principes voortvloeiend uit de integratieve orde.

 

De integratieve orde: omvattende principes

 

De meer fundamentele, nog dieper liggende orde is die van de omvattende principes, de orde van de ethica. Die principes behoren tot de grote gehelen en hebben een bestaan op zichzelf: het zijn beschreven in het kosmische wetboek.

Elke georganiseerde eenheid maakt deel uit van zo'n groter geheel. Zo worden de atomen en moleculen bijeengehouden door de zwaartekracht, die met de krachten van beweging en van energie de feitelijke vormen van de materiële wereld bepalen. Het heelal is de grootste eenheid, onderworpen aan mechanische wetmatigheden, zoals die in de natuurkunde zijn geformuleerd. De meest omvattende theorie is die van de relativiteit. Deze geeft de relatie aan tussen alle krachten in de materie. Het gaat daarbij niet alleen om de theoretische betekenis, maar ook om de gevoelswaarde van omvattendheidheid en waarheid.

Elk niveau van manifestatie kent een grote mate van variatie. Het is steeds een bepaalde combinatie van variaties die tot nieuwe, hogere evolutionaire manifestaties leidt. Zo’n combinatie van variaties in de materiële wereld is die, waarin de vier natuurelementen van aarde, water, lucht en vuur samengaan in een gecompliceerd systeem van wisselwerkingen en kringlopen. Zo’n systeem heeft een betekenis op zichzelf en wordt daarom gekenmerkt door schoonheid.

Deze combinatie van de materiële vormen heeft het ontstaan van het leven mogelijk gemaakt: de verschijning van de miljoenen soorten levende wezens, die zich in de loop van de geschiedenis van deze aarde konden ontwikkelen. 

Door welke combinatie van plantaardig en dierlijk leven werd het ontstaan van mensen mogelijk? Ik denk dat die combinatie geldt voor het geheel van de natuur, de veelheid van vormen, kleuren en klanken binnen het ecologische geheel, waarvan de 4 natuurelementen, de planten en de dieren in hun eindeloze variaties deel uitmaken.

Ook dit is schoonheid. Overal waar oorspronkelijke natuur is, zien we pracht, ook al is de natuur zelf voor elk levend wezen vaak wreed. Het geheel heeft een andere betekenis dan de som der delen. Fritjof Capra schrijft:

 

“Thus the whole biosphere - our planetary ecosystem - is a dynamic and highly integrated web of living and non-living forms”.

(Fritjof Capra. The turning point, p. 297) 

 

Wij mensen hebben deze verbondenheid met de omgeving in de meest ruime zin steeds ervaren en ook tot uiting gebracht. Zo kan de kunstzinnige expressie een verwijzing zijn naar die meer omvattende werkelijkheid. Het is het subject, dat opgaat in het grotere geheel en daaraan ook uitdrukking kan geven in een omvattende ervaring.

Daarin is niet alleen de waarneembare werkelijkheid betrokken, maar er bestaan ook voorstellingen over andere, meer verborgen werelden. Die vinden we in magische, mythische en/of religieuze verklaringen, waardebepalingen en daarop gebaseerde kunstzinnige uitingen. 

Die verklaringen en waardebepalingen passen in de tradities en in het taalgebruik van de betreffende volken en culturen. Zij hebben steeds een beperkte én ook een universele betekenis. Ik wijs daarbij op de universele, overal en altijd geldende ethisch gefundeerde waarden, zoals de eerbied voor alles wat leeft, de liefde voor de medemens, de vrijheid en rechtvaardigheid binnen de sociale orde, het streven naar waarheid en het uitdrukking geven aan de ervaring van schoonheid.

 

Dit bewustzijn van omvattende principes is aanwezig bij alle mensen, maar het is veelal onbewust. De uitdrukking daarvan kunnen we soms vinden bij de dichters, de profeten, de filosofen, de beeldende kunstenaars en de wetenschappers. Bij de huidige ik-bewuste mens is deze eigenschap in het algemeen nog in beperkte mate ontwikkeld.

Niettemin begint deze zich wel te manifesteren, bijv. in de vorm van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de Verklaringen van Rio en van Caïro (resp. over milieu en over bevolkingsgroei). Maar er is een veel meer omvattend bewustzijn nodig want de mens, waar en wanneer ook, zoekt niet alleen naar sociale en ecologische wenselijkheden, maar ook naar begrip van de verborgen werkelijkheid, van het onverklaarbare.

Ik zal dan ook proberen nieuwe, bij de huidige maatschappelijke ontwikkeling passende, omvattende principes te formuleren. Daarbij kunnen we veel van de reeds bekende esthetisch en ethisch gefundeerde richtlijnen overnemen, die wel aangepast moeten worden aan de nieuwe situatie. Daartoe zijn de vermogens tot  intuïtie en (zelf)reflectie nodig, die kunnen leiden tot vormen van geïntegreerd waarnemen, voelen, denken en handelen.

 

EEN UNIVERSELE SCHEPPINGSKRACHT

 

Wij weten, dat we in een heelal leven met - naar menselijke maatstaven - onvoorstelbare afmetingen. Op onze planeet aarde heeft zich de voorwaarde tot het ontstaan van leven ontwikkeld. Waarschijnlijk is, dat die voorwaarde zich ook op vele, misschien wel miljoenen andere planeten heeft voorgedaan, maar daaromtrent is er geen zekerheid.

Het leven op onze aarde is in enige miljarden jaren geëvolueerd tot de vormen, zoals wij die nu kennen: eenvoudige organismen, planten, dieren en mensen. De hoogste vorm is die van de mens, de schepper van cultuur in de vorm van gesproken en geschreven taal, muziek, beeldende kunst, architectuur, staatsvormen enzovoort. Tot die cultuur behoren ook de religieuze praktijken, de filosofische denkwijzen, de wetenschappelijke en de technische vermogens.

 

Er speelt zich in dit universum een ontwikkelingsproces af van materiële krachten en vormen, van levensvormen, van denkwijzen en vormen van expressie. Dit proces vindt plaats in de ruimte en in de tijd en wij kunnen daarvan de uiterlijke manifestaties waarnemen.

Door ons vermogen tot abstractie zijn we tot op zekere hoogte ook in staat de wetten, blauwdrukken en principes achter deze processen te ontdekken. Vanuit een zuiver intuïtief kenvermogen konden sommige mensen ook de oorsprong, ofwel de diep verborgen bron van al deze manifestaties vinden. Dat is de onvoorstelbare en onbegrijpelijke scheppingskracht, die in vroeger tijden bij vele culturen en volken bekend was.

 

In het joods-christelijke denken is God de schepper van hemel en aarde, van al het leven en van de mens. Zo begint de Bijbel:

“Ïn den beginne schiep God de hemel en de aarde”.

Het proces van schepping heeft zes dagen geduurd. Met “dagen” wordt hier bedoeld, net als in het oosterse denken, een “goddelijke dag” ofwel een zeer lange periode in de ontstaansgeschiedenis van de aarde.

 

In de Bhagavad Gita wordt gezegd:

“.... Ik ben het Zelf, gezeteld in de harten van alle wezens; Ik ben het begin en het leven en Ik ben het einde van hen allen. Van alle scheppende machten ben ik de Schepper, van alle lichtgevende lichamen de Zon; de Wervelwind onder de winden en de Maan onder de planeten.”

(Bhagavad Gita. Hoofdstuk X, vers 20 en 21, p. 63)

 

In de gnostiek van het oude Egypte staat het weer anders:

“De heerlijkheid van het Al is God en het goddelijke en de goddelijke natuur. God is het begin van wat bestaat - hij is zowel Geest als natuur alsook grondstof -, daar hij Wijsheid is die alles kan openbaren. Het goddelijke is begin, als ook natuur, werking, noodzakelijkheid, einde en vernieuwing”.

(Corpus Hermeticum. III, Een gewijde verhandeling van Hermes, p. 63)

 

Het taoïsme zegt het als volgt:

“Het Tao dat zich laat zeggen, is niet het eeuwig Tao.

De naam die zich laat noemen, is niet de eeuwige naam.

Naamloos is het de aanvang van hemel en aarde.

Genoemd is het de moeder van de honderdduizenden dingen”.

(Lau-tse. Tau-te-tjing, vers 1)

 

Die scheppende kracht wordt aangeduid als het Brahman, God, Allah, Tao of Grote Geest. Omdat deze woorden specifieke associaties kunnen oproepen die niets te maken hebben met hun oorspronkelijke bedoeling, geef ik er de voorkeur aan te spreken over een Universele Scheppingskracht. Er worden ook andere begrippen gebruikt.

Het is de oerkracht achter alle krachten en manifestaties.

Het is de kracht van de ongedifferentieerde energie, waaruit het heelal is ontstaan. Het is de strikt causale, mechanische kracht achter de materiële vormen. Dat zijn de krachten van omzetting, aantrekking, afstoting en beweging volgens de wetten van de wiskunde.

Het is ook de kracht, die de levende vormen in stand houdt door het organisme dat zichzelf voedt, beschermt, zich voortplant, zich aanpast en door de reeds bestaande blauwdrukken hogere vormen van complexiteit verkrijgt.

Aan de menselijk-culturele manifestaties ligt eveneens deze scheppingskracht ten grondslag. Alleen de mens heeft het vermogen de omvattende principes te ontdekken. Hij/zij kan in het eigen bewustzijn zichzelf leren kennen en daardoor in contact komen met zijn/haar eigen oorzaak. Dat kent geen vorm, heeft geen naam en is tijdloos.

In dit zuivere bewustzijn wordt kennis tot zelfkennis, het inzicht in de structuur van het diepere ik. Dat is de religieuze ervaring ofwel de toegang tot de voor ons niet nader verklaarbare

Universele Bron van alle manifestaties, die de uitdrukking is van de scheppingskracht zelf, de samenhang van alle ordes, het wezen en de grondslag van de werkelijkheid.

De mens in zijn meer fundamentele bewustzijn is de afspiegeling van dat wezen en die grondslag.

 

 

De niveau’s van organisatie: de vier natuurelementen: aarde, water, lucht en licht; planten, dieren en de mens (tekening H.R.Vincent)