Website integraal denken pagina 3

 

Links op deze pagina:

Over de relatie tussen religie, filosofie en wetenschap

Over de hiërarchie van ordes

Over blauwdrukken

Over reïncarnatie

Over wereldbeelden

De evolutie van het wereldbeeld

Home

 

Enkele toepassingen bij religieus-filosofische vraagstukken

 

 

 

In onderstaande lezingen en teksten van artikelen en van discussies is een aantal basisprincipes van het integrale denken nader uitgewerkt. Hieruit moge blijken, dat wetenschappelijke, filosofische, ethische en religieuze beginselen niet noodzakelijkerwijs strijdig zijn. Zij hebben betrekking op verschillende niveau’s van de werkelijkheid. Daarbij wordt ook aandacht geschonken aan belangrijke begrippen, zoals reïncarnatie, blauwdrukken en evolutie. De laatste twee artikelen gaan over de vraag of er evolutie in het denken van de mensheid is.

 

 

 

Over de relatie tussen religie,filosofie en wetenschap

 

Over de hiërarchie van ordes

 

 

Over blauwdrukken

Over reïncarnatie

 

Over wereldbeelden

 

 

Over de relatie tussen religie, filosofie en wetenschap

 

Het integrale denken in de relatie tussen religie, filosofie en wetenschap

(Voordracht ter inleiding op het boek “Ons wereldbeeld en het integrale denken”, dd 13 december 2000 in de Vrije Universiteit te Amsterdam)

 

Hans R. Vincent

 

Algemeen

 

Het integrale denken wordt in diverse vakgebieden gebruikt, maar het gaat hier om de toepassing van het begrip in de religie en de filosofie.

Nu is Nederland niet zo de goede plek voor de behandeling van een filosofisch begrip. Wij Nederlanders zijn erg goed in bepaalde technische gebieden, zoals de waterbouw. Ook op de terreinen van de handel en de industrie hebben we goede capaciteiten. Maar op filosofisch gebied is Nederland niet zo belangrijk. We hebben wel Erasmus en Spinoza voortgebracht. Erasmus was een Rotterdammer, maar verbleef bijna zijn hele leven in het buitenland. Spinoza kwam uit Amsterdam, maar werd daar niet getolereerd en verhuisde naar Rijnsburg, waar hij brillen moest slijpen om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Onze nabuurlanden, zoals Frankrijk, Engeland en Duitsland hebben een meer uitgesproken filosofische traditie, die ook in de moderne tijd nog een belangrijke rol speelt. In Frankrijk heeft in de vorige eeuw o.a. de existentiefilosofie zich ontwikkeld, waartoe ook Jean-Paul Sartre behoort. Engeland is meer rationalistisch georiënteerd, hetgeen tot uiting komt in de filosofieën van Bertrand Russel en Karl Popper. Duitsland is belangrijk door de Frankfurter Schule, het neomarxistische maatschappijkritische denken met mensen als Erich Fromm en Herbert Marcuse.

Al deze moderne richtingen hebben belangrijke impulsen gegeven aan de persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling, aan de wetenschap, de logica en de taal. Zij zijn vooral praktisch gericht en dat is in overeenstemming met de huidige maatschappelijke situatie.

Maar ook in deze nieuwe maatschappelijke situatie van economische, wetenschappelijke en technologische ontwikkeling, van welvaart voor de grote massa’s van de bevolking, kan men vragen van fundamentele aard blijven stellen, zoals die betreffende de ware aard van de kosmos, de wereld, het leven, de mens en de uiteindelijke vraag: wie ben ik eigenlijk?

Deze vragen worden ook door de moderne filosofie niet of nauwelijks beantwoord. Daartoe zullen we terug moeten naar de bronnen van alle filosofische kennis en die vinden we vooral in de oude filosofische en religieuze geschriften, zoals die van de Griekse filosofen, in de gnosis van het oude Egypte, de Veda’s en Upanishads van het oude India, de boeddhistische geschriften, de Tao-te-tjing van het oude China en ook in de oude joodse en christelijke teskten, zoals de Bijbel en de latere theologische verhandelingen. Hierin vinden we diepzinnige beschouwingen over de ware aard van de wereld en het leven. Het zijn deze beschouwingen die we tot onze beschikking hebben en die we kunnen gebruiken ter beantwoording van de fundamentele vragen, die nog steeds geldig zijn.

Het integrale denken maakt van deze bronnen gebruik. Daarnaast ook van meer moderne kennis uit de latere filosofie, met name uit westerse bronnen en ook van de wetenschap. Het integrale denken streeft naar integratie van de verschillende wijzen van kennen in religie, filosofie en wetenschap binnen één gemeenschappelijk kader. Is zo’n kader wel mogelijk? Liggen de benaderingswijzen in deze vormen van “kennis” niet te veel uit elkaar?

Ik zal nu nagaan wat de kennis verkregen uit deze bronnen inhoudt.

 

Religie

 

Het woord “religie” komt van het Latijnse woord “re-legere” en dat betekent: opnieuw lezen.

Er waren dus teksten, die zo belangrijk werden gevonden dat zij steeds weer opnieuw werden gelezen. Ik kan mij voorstellen, dat dit lezen in groepsverband gebeurde en wel op plaatsen, die tevoren werden gebruikt voor ceremoniële bijeenkomsten in het kader van de vroegere animistische gewoonten. Op die plaatsen werden tempels, kerken en moskeeën gebouwd. Er waren mensen die de teksten beter begrepen dan anderen en zo ontwikkelde zich een priesterkaste met bijbehorende vormen van theologie, autoriteit, dogmatiek en traditie.

De kennis ontleend aan religieuze bronnen werd daardoor tot openbaringskennis: het is waar, omdat het gezegd is. Degene die het heeft gezegd is een “profeet”, een “meester”, een “zoon van God”. Het bijwonen van de bijeenkomsten werd een sociaal gebeuren. In de strakke sociale contrôle van de vroegere maatschappijverhoudingen kon men zich niet onttrekken aan gemeenschappelijke gebeurtenissen. Iedereen hoorde er bij, op straffe van uitstoting.

Momenteel is dat anders.

In de westerse wereld staat de individualiteit op de voorgrond en de groepsbinding is gering. Bovendien beschikken we over de kennis van vele religieuze bronnen en we hebben de vrijheid om die naar eigen goeddunken te bestuderen. We kunnen teksten vergelijken en daaruit onze conclusies trekken. Zo wordt het christelijke scheppingsprincipe aangeduid met het begrip “God”, dat we ook in de Egyptische gnostiek en in de Griekse filosofie terugvinden. In de oude filosofie van India, de bron van hindoeïsme en boeddhisme wordt het scheppingsprincipe “Brahman” genoemd en in het oude China “Tau”. Natuurvolken spreken veelal van de “Grote Geest”of van “Moeder Aarde”.

In deze voorstellingen zitten veelal maatschappelijke projecties verborgen. Zo is het godsbegrip in westerse en Indiase vorm steeds mannelijk. Dat geldt niet voor het Chinese of Indiaanse scheppingsprincipe. Ook andere religieuze voorstellingen zijn doortrokken van door tijd en plaats bepaalde maatschappelijke normen en waarden. De menselijke “ziel” wordt beschouwd als goddelijk verschijnsel, maar die ziel wordt met verhalen over hemel en hel wel beloond en gestraft volgens sociale normen.

Als we de oude voorstellingen ontdoen van hun sociale en misschien ook de psychologische projecties houden we een niet nader benoembaar scheppingsprincipe en bijbehorende religieuze begrippen over, die vooral vragen oproepen en daardoor verwijzen naar een mysterie, dat alleen door verwondering en ook bewondering benaderbaar is. Ik denk dat de religie uit die vragen en dat intuïtieve gevoel van het onbegrijpelijke voortkomt.

 

Filosofie

 

Filosofische kennis is gebaseerd op redenering. We proberen de wereld die we waarnemen te verklaren door argumentatie en discussie. Zo kunnen we filosofische systemen en principes opbouwen. Daarbij gaan we steeds uit van veronderstellingen. Zo bouwde Plato zijn filosofie op de ideeënleer. De ideeën waren door God geschapen absolute en eeuwige principes, die ten grondslag liggen aan de bestaande werkelijkheid. Deze is niets anders dan een afspiegeling van die ideeën, die een universele geldigheid hebben. De ideeën betreffen onze algemene begrippen, zoals bed en huis, ook kwalificaties, bijvoorbeeld kort – lang, jong – oud, maar vooral ook de ethische kenmerken op een hoger niveau van abstractie, zoals goedheid, rechtvaardigheid en schoonheid.

 Mijn eigen veronderstellingen zijn verwant aan de ideeënleer van Plato. Ik ga er van uit dat de wereld van de verschijnselen, zoals wij die kennen wordt bepaald door de natuurwetten, de blauwdrukken en de principes, allemaal voortvloeiend uit een niet nader bepaalbare scheppingskracht:

 

1        De natuurwetten, die de hele wereld van de materie en deels ook de wereld van de levende vormen beheersen. Deze zijn gebaseerd op de principes van de wiskunde en gehoorzamen aan de wetten van de oorzakelijkheid, d.w.z. de bepaling van gebeurtenissen door daaraan voorafgaande feiten.

 

1.        De blauwdrukken ofwel vormgevende krachten, die de uitkomst van ontwikkelingsprocessen bepalen. Het gaat hierbij om een andere soort oorzakelijkheid, te weten die van de finaliteit ofwel de verborgen uitkomst van veranderingsprocessen. Die krachten vinden we vooral op het gebied van organische processen, zoals de groeiprocessen in levende organismen en in de menselijke ontwikkeling, zowel individueel alsook collectief. Het ligt in de blauwdruk van een jonge mens al verborgen of hij/zij een musikaal genie wordt. Een ander soort blauwdruk ligt in een maatschappelijk systeem verborgen of het zich zal ontwikkelen tot een democratische samenleving.

 

3        De derde vorm van conditionering vloei voort uit de ethische principes. Dat zijn normatief gegeven bepaaldheden, die we terugvinden in de religieuze en staatkundige voorschriften, zoals die van de “geboden” van de naasteliefde, van waarheid, vrijheid en gelijkheid. Het zijn de verborgen regels die overal en altijd geldig zijn en die door religieuze leraren en filosofen zijn geopenbaard en opgeschreven.

 

Kenmerk van deze benadering is het dynamisch karakter daarvan: de werkelijkheid zoals wij die kennen is in een proces van ontwikkeling. De natuurwetten zijn voor een groot deel bekend, maar de blauwdrukken en de ethische principes moeten voor het merendeel nog gerealiseerd worden. De wereld, de mensheid en de mensen zijn op weg naar een toekomst, die nog verborgen is. De huidige problemen van de emancipatie van vrouwen, de integratie van etnische en religieuze groepen binnen nationale eenheden, de globalisering en de ecologische problemen zijn  signalen, dat we op weg zijn naar een ander soort wereldsamenleving.

 

Wetenschap

 

De wetenschappelijke methode is gebaseerd op de benadering via de causaliteit. Dat is het verklaren van verschijnselen door het vaststellen van de daaraan voorafgaande oorzaken. Zowel die verschijnselen als de oorzaken zijn waarneembare, zo mogelijk ook meetbare grootheden. Wetenschap zoekt naar algemeen geldige wetten. De verklaring wordt voorafgegaan door het opstellen van een hypothese. Uit de waarnemingen wordt afgeleid of de hypothese juist is. Dat heet verificatie. Elke hypothese moet volgens de wetenschapstheoreticus Karl Popper ten minste voldoen aan de eis, dat de onjuistheid daarvan vastgesteld kan worden (falsificatie).

Belangrijke wetenschappers waren Copernicus, Galileï en Newton. Copernicus heeft door nauwkeurige waarneming kunnen vaststellen dat de aarde om de zon draait en niet ondersom, zoals men in die periode – ca 1500 n. Chr. – dacht. Galileï ondersteunde de theorie van Copernicus, maar kreeg daardoor een conflict met de kerkelijke autoriteiten. Hij heeft ook wetten van de zwaartekracht ontdekt. Ook Newton heeft op dat gebied gewerkt en bovendien baanbrekend werk op het terrein van de wiskunde verricht.

De door de wetenschap ontdekt wetmatigheden vinden toepassing in de techniek. Daardoor is het gehele maatschappelijke leven in de laatste tweehonderd jaar totaal veranderd: dat geldt met name de produktie, het vervoer, de informatie. Hierdoor en door de medische ontwikkeling is de bevolkingsomvang wereldwijd meer dan vertienvoudigd en dat proces gaat nog steeds verder.

 

Voor het integrale denken, ook op filosofisch gebied geldt de wetenschappelijke kennis als uitgangspunt. Maar de wetenschap kan alleen maar oorzakelijke relaties in de hier bedoelde betekenis vaststellen en er zijn nu eenmaal vele vragen die op deze wijze niet beantwoord zijn en ook niet beantwoord kunnen worden. De vragen naar de uiteindelijke oorzaken en de bedoeling van vele verschijnselen vereisen een andere wijze van benadering. Dat zijn bijvoorbeeld vragen omtrent de oorzaak en de ware aard van de schepping, omtrent de zin van (menselijk) leven, omtrent het bestaan van andere, niet waarneembare, energetische vormen. Zo blijft de vraag bestaan of de mens een onsterfelijke ziel heeft, een kern van een ander soort substantie, die na de dood blijft voortbestaan. Ook ethische vragen, zoals die omtrent de juiste manier van leven kunnen door de wetenschap niet of nauwelijks beantwoord worden.

Daarom hebben we de filosofie en de religie nodig.

Het kan zijn dat men zich daarom beroept op een bepaalde filosofische of religieuze richting, zoals een van de varianten van de christelijke leer, een andere godsdient, een idealistische of materialistische filosofie.

Het integrale denken, zoals hier ontwikkeld gaat uit van de gedachte dat we momenteel in één wereld leven en dat we gebruik kunnen maken van een variéteit van bronnen, waaronder die van niet-westerse herkomst. Een integratie van de westerse exacte, concrete en praktische denkwijzen met de niet-westerse - met name oosterse - diepe, fundamentele, maar ook speculatieve opvattingen kan leiden tot de antwoorden op bovengenoemde en ook andere vragen. Daarbij geldt dan wel als uitgangspunt dat de te volgen procedure vooral westers is: het integrale denken is gebaseerd op onderzoek, discussie, twijfel, de procedure zoals die in de academische wereld gebruikelijk is. Wanneer we zoeken naar de oorzaak van de oorzaken ofwel de verklaring van de verklaringen zullen we open moeten staan voor alle denkbare antwoorden. Dat bepaalt het procesmatige karakter van deze denkwijze. Er is geen absolute juistheid of waarheid, wel een open benadering van de vele en moeilijke vragen, die op deze wijze aan bod komen.  

 

 

Ten slotte is er de vraag of de wetenschappelijke ontwikkeling niet zover komt, dat ook de hier genoemde probleemgebieden op den duur door de wetenschappelijke werkwijze beantwoord zullen worden. Er waren immers in het verleden vele veronderstellingen die een antwoord op religieuze en filosofische basis hadden gevonden, maar die door de wetenschapplijke ontwikkeling volstrekt onjuist zijn gebleken. Daarbij kunnen we denken aan de oude geocentrische opvatting omtrent het heelal, het bestaan van goden, geesten e.d. De kennis van de samenstelling van de materie en ook steeds meer van biologische processen neemt immers snel toe.

Er zijn 7 argumenten, die een indicatie vormen dat de wetenschappelijke ontwikkeling wel voortgaat, maar niet voldoende om een aantal fundamentele gegevens uit de natuurkunde en andere wetenschappen te kunnen verklaren:

 

1.      Een eigenschap van de materie is de zwaartekracht. Wij kennen dat omdat we op de grond blijven staan, op onze stoel blijven zitten, omdat de aarde om de zon draait, de maan om de aarde, enzovoort. Net zoals alle materiële verschijnselen wordt de zwaartekracht beschreven door de wetten van de wiskunde. Niemand weet wat zwaartekracht in feite is. Is er toch iets dat alle materie met elkaar verbindt?

2.      In de astronomie is het bekend dat de waarneembare materie in het immense heelal slechts een klein deel van de totale materie is. De schattingen lopen uiteen van 10% tot 1% De niet-waargenomen materie wordt “donkere materie” genoemd. Dit geeft sommige natuurkundigen aanleiding te stellen, dat de “lege ruimte” gevuld is met een enorme hoeveelheid energie, die wij niet kunnen waarnemen.

3.      De samenstelling van de materie in het heelal, waaruit de sterren en de planeten, waaronder ook de zon en de aarde zijn ontstaan, is zodanig dat uit de oorspronkelijke materievormen, met name waterstof en helium, zwaardere elementen kunnen ontstaan, waaruit organische molekulen voortkomen, die de bouwstoffen van de levensvormen zijn. Hieruit zou men kunnen afleiden, dat het ontstaan van leven, ook in de vorm van menselijk leven reeds als mogelijkheid in de materie aanwezig is. Dit wordt het antropisch principe genoemd.

4.      We weten niet hoe de levende vormen ontstaan. De overgang van de niet-levende materie naar de meest elementaire levensvormen is relatief groot. Met name het ontstaan van een cel is niet duidelijk. Ook de overgang van de lagere naar de hogere organisatievormen van het leven is onbekend. Waarom kregen elementaire levensvormen een kop, een maag-darmkanaal, ogen, oren, poten, een baarmoeder, een elementair denkvermogen en ten slotte – de mens - een vier keer zo grote herseninhoud als de voorafgaande levende soort, de mensaap? Darwins theorie van mutatie en selectie verklaart wel aanpassingen, maar er is nog steeds discussie over de vraag of op die wijze ook evolutionaire veranderingen verklaard kunnen worden.

5.      Een opmerkelijk verschijnsel betreffende de genetische structuur is het geringe verschil tussen de chimpansee en de mens. Ook mensen onderling vertonen grote verschillen in capaciteiten en culturele geaardheid. De bijzondere vermogens van sommige mensen blijken soms wel en soms niet verband te houden met in de voorfamilie bestaande eigenschappen.

6.      Ook de oorzaken van de maatschappelijke veranderingen zijn veelal niet aan te geven. Zo zijn de oorzaken die hebben geleid tot de huidige maatschappelijke en technologische ontwikkelingen niet duidelijk aan te geven. Er zijn geen redenen te vinden, waarom de wetenschap en de technologie zich juist in het noordwesten van Europa hebben ontwikkeld. In de daaraan voorafgaande periode waren de Chinezen in wetenschappelijk en technologisch opzicht verder gevorderd, evenals de Arabieren.

7.      Mensen hebben een heel verschillend levenslot. De een leeft lang, in welvaart en gezondheid, de ander is een kort en ellendig bestaan beschoren. Dit lijkt zeer onrechtvaardig. Als we ervan uitgaan, dat er een rechtvaardigheidsprincipe in het universum bestaat, kunnen we deze ongelijkheid verklaren door te verwijzen naar het reïncarnatie-principe. Dat stelt dat ieder mens als bewustzijnseenheid in een lange serie levens als mens een veelheid van ervaringen moet doormaken, waardoor deze eenheid in bewustzijnsvermogen groeit. Indien het menselijk leven een uiteindelijke bedoeling zou hebben, kan dat betekenen dat iedere bewustzijnseenheid de kans krijgt zich te verenigen met de universele intelligentie – “God, Brahman, enzovoort –“, die aan het ontstaan van het heelal voorafgaat.

 

Conclusie: in de diverse takken van wetenschap is er een groot aantal verschijnselen, dat niet is opgelost. Vooralsnog kunnen wij slechts veronderstellingen formuleren over mogelijke antwoorden. Zo is volgens David Bohm (natuurkundige, met name gespecialiseerd in relativiteitstheorie en quantumtherie) de lege ruimte gevuld met een “immense see of energy”. Datgene dat zich aan ons manifesteert is slechts in zeer klein deel van die energie, een vage afspiegeling van de ultieme werkelijkheid. Deze conclusie stemt overeen met de reeds door Plato geformuleerde ideeënleer.

In die “zee van energie” zijn de voorwaarden gegeven voor die manifestaties die wij kennen. De natuurwetten die de materie regeren, de ontwikkeling van de levende soorten, de maatschappelijke ontwikkelingen en het menselijk leven in zijn individuele manifestaties, zijn het vermoedelijke resultaat van een bedoelde en gewilde schepping. De aard van die wil en bedoeling kunnen wij door kennisname van hetgeen daarover in religie, filosofie en wetenschap is gezegd en door voortgaande redenering proberen te benaderen. Het is een nooit eindigend pad van onderzoek, dat geen zekerheid biedt.

 

 

 

 

Religie. De St Vituskathedraal te Praag

 

 

 

Over de hierarchie van ordes

 

Voordracht Hans Vincent 13 juli v.m.

Weekendbijeenkomst 12 - 14 juli 2002

Theosofisch Centrum te Naarden

 

Een integraal wereldbeeld als basis voor maatschappelijke vernieuwing.

 

 

De begrippen "heelheid", afgeleid van holisme, en "integraal denken" hebben veel overeenkomst. Beide verwijzen naar de eenheid van wetenschap, filosofie en religie. In de praktijk heeft iedere denker of mysticus zijn eigen leer, waarbij ook nog andere begrippen, zoals synthese of systeem, worden gebruikt. Ik gebruik zelf het liefst het begrip "integraal denken", waarbij ik uitga van de wetenschappelijke kennis, die een hoge mate van zekerheid biedt. Daarbij zou ik willen verwijzen naar de Zwitserse filosoof Jean Gebser, die een vorm van evolutie van het denken beschrijft, te weten: het magische, het mythische, het rationele en het integrale denken. Ook de Amerikaanse socioloog van Russische herkomst Pitirim Sorokin heeft het integrale denken beschreven. Zijn cyclische theorie gaat uit van de afwisseling van cultuurpatronen binnen de westerse samenleving, waarbij respectievelijk het mythisch-religieuze, het filosofisch-rationalistische en het wetenschappelijk-materialistische denken elkaar opvolgen. Volgens hem - hij schreef evenals Gebser in het midden van de vorige eeuw - zou de tijd aanbreken voor de integratie van deze vormen van kennen.

Voor de beschouwing van vandaag zijn vooral Fritjof Capra en David Bohm van belang.

Fritjof Capra is natuurkundige en ook mysticus. Zo zegt hij dat de gebeurtenissen in de wereld van de kleinste deeltjes en in de mystieke ervaring beide onvoorspelbaar zijn. Voor ons doel is vooral zijn opvatting over maatschappelijke verandering van belang. Deze heeft hij beschreven in het boek "Het keerpunt", waarin hij gebruik maakt van de begrippen jin en yang uit de Chinese filosofie. Deze worden toegepast op de ontwikkeling van de aarde als totaal systeem van de natuurelementen aarde, water, lucht en licht (vuur), de grondstoffen en de levensvormen, waaronder ook het menselijk leven. Dat systeem geeft hij de naam van de "GAIA", de Griekse godin van de aarde.

In de huidige ontwikkeling heeft het mannelijke denken, het yang, de overhand, te weten het denken in de vorm van analyse, rationaliteit, agressie en competitie. Voor een gezonde ontwikkeling zou een evenwicht van het mannelijke en het vrouwelijke, het jin, gevonden moeten worden. Dat betekent dat er meer nadruk zal moeten komen op de vrouwelijke waarden van intuïtie, synthese, samenwerking en verantwoordelijkheid.

Ook David Bohm was natuurkundige. Hij was gespecialiseerd in de relativiteitstheorie en de quantumtheorie, maar daarnaast was hij ook goed op de hoogte met de oosterse filosofie. Hij was bovendien bevriend met Krishnamurti. Hij schreef het boek "Wholeness and the implicate order", dat ook in het Nederlands is vertaald.

Bohm beschrijft het geheel als het bewegend universum, de "holomovement": de eenheid van materie, leven en bewustzijn. Het westerse denken benadert dit geheel door het vaststellen van het meetbare: de maat en het getal. Op die manier kunnen wij de “explicate order” of "uiterlijke orde" beschrijven. De wetenschap ontdekt de wetten van de causaliteit, waardoor ook voorspelling mogelijk wordt. Het oosterse denken zoekt juist naar het onmeetbare en onkenbare, de mystiek. Daardoor wordt het mogelijk iets van de “implicate order” ofwel de “verborgen orde” te ontdekken. Deze is voor ons verborgen en behoort tot andere dimensies, die moeilijk beschrijfbaar zijn, maar wel "meaning" (betekenis) hebben.

Als voorbeeld zou men de muziek kunnen nemen. Deze bestaat uit tonen, die we kunnen opschrijven en zelfs ook meten in de vorm van trillingsgetallen. Maar het geheel van de muziek is de melodie. Wat is dat? Wij houden van Mozart of van de Beatles en dat vinden we mooi of niet mooi! De beleving van muziek is subjectief en van een geheel andere orde dan wat beschreven kan worden.

Bohm zegt dat de verborgen orde verschillende dimensies kent. Dit idee is door hem niet uitgewerkt. Hij spreekt wel van een "ground", een basis van de verschijnselen en ook van een "common ground", de oorzaak van al het bestaande. Zo is er volgens hem een immense energie, die alle ruimte doordringt.

 

Mijn ideeën over het integrale denken zijn in zekere mate gebaseerd op die van Capra en Bohm. Zij bestaan uit een omvattend wereldbeeld, inclusief een maatschappijbeeld en een mensbeeld. Daarbij gaat het over vragen naar de verborgen orde en de consequenties daarvan voor het menselijk samenleven. In deze lezing zal ik niet expliciet ingaan op het mensbeeld. Dit wijkt niet erg af van hetgeen daarover in de theosofie is gezegd. Begrippen, zoals reïncarnatie, karma, chakra's, e.d. behoren daartoe.

 

Wereldbeeld

David Bohm gaat dus uit van een manifeste en een verborgen orde. Dat denkbeeld spreekt mij aan, maar ik meen dat we over die verborgen orde wel meer kunnen zeggen.

De manifeste orde betreft de uiterlijk waarneembare wereld.

De verborgen orde bestaat mijns inziens uit meerdere ordes, te weten:

-         de mechanische orde, die statisch, wetmatig in elkaar zit,

-         de evolutionaire orde, gekenmerkt door verandering en ontwikkeling,

-         de integratieve orde, die is gebaseerd op ethische en spirituele principes.

Ten slotte is er de Universele Scheppende Kracht, waaruit alles voortkomt.

Dat wil zeggen dat er een hiërarchie van ordes is, die ik verder zal uitwerken.

 

De Manifeste Orde heeft dus betrekking op de uiterlijke wereld, zoals die op onze zintuigen overkomt. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van instrumenten, die aantallen, lengtes (golflengte), gewichten en dergelijke kunnen vaststellen. Bij het besturen van een auto moeten wij wel de instrumenten kunnen lezen en de handelingen kennen, maar we hoeven niet te weten, waarom de auto op een bepaalde wijze reageert.  

Bij het waarnemen van de uiterlijke orde, moeten wij wel een onderscheid maken naar de niveau's van organisatie, die grote verschillen in complexiteit kennen:

-  De materiële vormen, zoals zand, lucht, water, licht, radiogolven, etc..

-  De levende vormen, die betrekking hebben op alles wat groeit en beweegt, van eencellig diertje tot olifant of eikenboom.

-  De menselijke vormen, die worden ingedeeld naar volken, religies, talen, eigenschappen, capaciteiten, en dergelijke. Tot deze vormen behoren ook de medemens, u en ikzelf.

Wij reageren op onze omgeving op basis van onze waarneming en onze ervaring, veelal ook onder invloed van leerprocessen.

 

De Mechanische Orde is de eerste "verborgen" orde. Deze beschrijft de wetten van samenhang en beweging: de statica. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het  principe van de causaliteit.

Het is de wetenschap die deze orde bestudeert en daarbij probeert wetmatigheden vast te stellen. Zo gehoorzaamt de materie aan de wetten van de strikte logica: a2 + b2 = c2; de chemische formule van water is H2O. We kennen de bewegingswetten van Newton en de structuur van het zonnestelsel, die is ontdekt door Copernicus. De wetmatigheden in de materiële wereld worden beschreven door wiskundige formules, die geen enkele ruimte tot vrijheid of variatie laten. Daarbij laat ik de relativiteitstheorie en de quantumtheorie buiten beschouwing.

Van de levende vormen kennen we de biologische wetten, zoals het door Darwin ontdekte proces van mutatie en selectie, waardoor biologische soorten zich aan een veranderde omgeving kunnen aanpassen. Ook op het terrein van de genetica worden vorderingen gemaakt, met name door de ontdekking van het DNA. Over het menselijk lichaam weten we al heel veel en over de niet-biologische aspecten van het menselijk leven proberen we meer te weten te komen, maar de kennis van psychologische, anthropologische, sociologische en economische wetmatigheden is nog niet ver gevorderd. Zo weten we nog niet precies waar de intelligentie vandaan komt. Vooral ook het probleem van de menselijke agressie is nog onontgonnen. We kunnen wel vaststellen dat de mens een merkwaardige biologische soort is, die beschikt over uiterst creatieve én destructieve eigenschappen!

 

Het volgende, meer fundamentele, niveau is dat van de Evolutionaire Orde. Dat is de orde, waarin de dynamica plaats vindt, ofwel de ontwikkeling van eenvoudig naar complex.   

Zo is de wereld van de materie ontstaan uit de oerknal, waarin zich gaswolken en daarna sterrenstelsels, sterren, planeten, kometen en zwarte gaten hebben ontwikkeld.

Bij de levende vormen, de wereld van de planten en de dieren, heeft zich een evolutieproces afgespeeld van het eencellige diertje naar de ongewervelde dieren, de vissen, de zoogdieren, de vogels, de apen en uiteindelijk de mensen .

De menselijke ontwikkeling heeft plaats gevonden door het ontstaan van diverse menselijke soorten, te weten de homo habilis (die instrumenten ging gebruiken), de homo erectus (die rechtop ging lopen), de Neandertaler en uiteindelijk de Cro-Magnon-mens of homo sapiens. Dat is de huidige mens, waarvan we de eerste vormen van creatief vermogen kunnen bewonderen in de grotten in Frankrijk en Spanje.Er heeft zich dus een evolutionaire sprong voorgedaan van de biologische voorgangers van de mens naar de huidige mensheid. In een paar miljoen jaar ontstond de mens met 4x zoveel herseninhoud als de primaten.

Ook de geschiedenis van de mensheid kunnen we vanuit evolutionair gezichtspunt beschrijven. In Europa en daarna ook in Amerika heeft zich in een periode van 500 jaar een nooit eerder vertoonde ontwikkeling voorgedaan. Zo is de kennis sterk toegenomen met als gevolg de moderne techniek. Dat heeft geleid tot meer welvaart, verbeterde gezondheid en dus tot een enorme groei van de bevolking. Verder is het cultuurprincipe van de individualiteit ontdekt, leidend tot de democratische besluitvorming in de politiek, de emancipatie van achtergestelde groepen, zoals arbeiders, vrouwen en kleurlingen en tot het principe van de mensenrechten.

De vraag is waar die processen van ontwikkeling vandaan komen. Duidelijk is dat daarvoor geen causale verklaringen gegeven kunnen worden. Er zijn geen oorzaken en geen wetmatigheden! Daarom moeten we zoeken naar  andere verklaringen en die vinden we al bij Aristoteles met zijn principe van de vormgevende oorzakelijkheid ofwel de teleologie. Dat wil zeggen dat het einddoel van een bepaald proces al vast ligt. Persoonlijk spreek ik liever over de blauwdrukken. Deze zijn al aanwezig, maar moeten zich nog manifesteren.

Enkele voorbeelden kunnen we in de Bijbel vinden, zoals de uitspraak dat God de mens schiep "naar zijn beeld". Het beeld was er dus al. Hetzelfde geldt voor Mozes die de tien geboden kreeg. Dichter bij huis is de uitspraak van Mozart, dat hij zijn muziek niet zelf maakte, maar alleen opschreef wat er al was. Einstein en andere genieën zeggen veelal dat hun ideeën niet van henzelf zijn, maar voortkomen uit een plotselinge ingeving.

De blauwdrukken zijn de verborgen krachten achter de processen van ontwikkeling.

 

De Integratieve Orde betreft de grotere gehelen, die worden gekenmerkt door de omvattende principes. Dat zijn de ethische beginselen en de spirituele wetten.

In de wereld van de materie, zoals atomen, moleculen en straling is de integratieve orde het  heelal: de eenheid van massa, energie en beweging. Het omvattende principe wordt beschreven door de relativiteitstheorie, de relatie tussen ruimte, tijd en beweging.

Op het niveau van de levensvormen, zoals de micro-organismen, de planten en de dieren kennen we de ecosystemen, bijvoorbeeld die van het oerwoud, de steppe, het bos, de bergketen, het poolgebied. Ook de hele wereld, met de zon en de maan, heeft een ecosysteem, aangeduid met de GAIA-hypothese. Dit is de orde van de schoonheid.

Het menselijk leven kent een eigen niveau, dat enerzijds deel uit maakt van het aarde-systeem, anderzijds ook weer bestaat uit systemen van sociale samenhang, de volken, etnische en religieuze groepen, enzovoort. Ook het persoonlijke leven maakt deel uit van de gehelen van de natuurlijke en sociale omgeving. Wat betreft de natuurlijke omgeving zijn wij gebonden aan de principes van het ecologisch denken. De sociale samenhang wordt bepaald door de ethische wetten en normen, zoals die zijn geformuleerd in de belangrijke religies en filosofieën en soms zijn vastgelegd in de wetten van de staat..

Zo kennen wij uit het christendom het gebod van de naastenliefde. Het boeddhisme leert ons de bescherming van het leven en het humanisme is de leer van de menselijke waardigheid, van de rechten van de mens met de principes van de individuele vrijheid en de sociale gelijkheid.

Ook spirituele wetten behoren tot de omvattende principes: de wetten van de ziel, zoals die van karma en reïncarnatie.

 

De hoogste orde is die van de Universele Scheppingskracht, de mysteriueze bron, waaruit alles voortkomt. Deze wordt ook wel - al naar gelang de betreffende cultuur - aangeduid met de namen van God, Brahman, Tao of Grote Geest. Ieder menselijk wezen maakt deel uit van deze bron. Om die reden gebruik ikzelf liever de begrippen Universeel Bewustzijn  en Individueel Bewustzijn. Individueel bewustzijn is hetzelfde als de "ziel" in de christelijke en de Griekse tradities en de "Atman" in de oosterse filosofie. Wij kunnen dit bewustzijn zelf ontdekken door middel van de zelfkennis, zoals die in diverse religies en filosofieën wordt geleerd.

Op de vraag hoe we dat kunnen vinden kan ik nu niet ingaan. Het enige dat ik daarover op dit moment kan zeggen is dat we zelf op zoek moeten gaan. Daarbij moeten we letten op een volstrekte openheid en de gevaren van sectarisme, dogmatiek en intolerantie vermijden. Daarbij verwijs ik naar de bekende uitspraak van Krishnamurti in zijn rede bij de opheffing van de Orde van de Ster in 1929: "truth is a pathless land"!

We zullen zelf op zoek moeten gaan en de zoektocht van anderen respecteren.

 

De maatschappelijke ontwikkeling

Na deze algemene beschrijving van het integrale wereldbeeld, zal ik verder ingaan op de toepassing daarvan op de maatschappelijke problematiek en wel die op mondiaal niveau. Daarbij zal ik gebruik maken van het bovengenoemde begrip "blauwdruk", dat hierop zeker toegepast kan worden.

Uitgangspunt is het proces van "globalisering", dat wil zeggen dat bepaalde kenmerken van bepaalde culturen zich over de hele wereld verspreiden. Daarbij denk ik dan aan processen behorende tot de westerse economie, aan de moderne vormen van communicatie en elementen uit de westerse cultuur. Op economisch gebied kan men denken aan de activiteiten van westerse bedrijven, zoals Shell, Philips, Mc Donalds en de verkoop van westerse producten, zoals coca-cola, auto's en t.v.'s. Op het terrein van de communicatie kennen we de t.v., de telefoon en internet. Het middel van communicatie is de Engelse taal, hetgeen erg jammer is voor de Fransen, die zo'n belang hechten aan hun eigen taal. Ook andere westerse cultuurkenmerken dringen in andere werelddelen door, waarbij ik denk aan de sport, zoals het voetbal en de klassieke muziek, die beide in Oost-Azië heel populair zijn..

In dit proces van globalisering, ook wel "mondialisering" genoemd, blijft de politiek sterk achter. Er is een dringende noodzaak dat er ook op politiek gebied een verdere mondialisering optreedt. De reden daarvoor is dat er in deze eeuw grote problemen komen die alleen op mondiaal niveau opgelost kunnen worden, te weten:

 

1.      Armoede.

Momenteel zijn er ca 800 miljoen mensen met te veel welvaart. Zij kunnen auto's kopen, t.v.'s, wasmachines, enzovoort, zij reizen de hele wereld af  en zij eten te veel met alle consequenties daarvan. Daarnaast zijn er 800 miljoen mensen die in grote armoede leven. Zij hebben te weinig en vooral ook slecht voedsel, zij leven in hutten van golfplaat en komen met moeite aan water. We vinden ze vooral in Midden-Afrika, Midden- en Zuid-Azië en in de grote steden van Zuid-Amerika. De tegenstellingen zijn groot en worden steeds groter..

Er worden wel conferenties over deze problematiek georganiseerd en we geven ook ontwikkelingshulp, maar de effecten zijn gering. In de westerse wereld, met name in Noord- en West-Europa is er een systeem van herverdeling van inkomen gegroeid, vooral door de sociale wetgeving. Dat zou ook op mondiaal niveau moeten gebeuren, maar daartoe zijn er nog geen aanzetten.

 

2.      Oorlog, burgeroorlog, terreur.

Na de tweede wereldoorlog hebben we oorlogen en burgeroorlogen gehad in onder meer: Korea, Vietnam, Cambodja, Afghanistan, Ruanda, Yoego-Slavië (Srebrenica !) en Israel. In Noord-Ierland, Spanje en Rusland zijn nog steeds terroristische activiteiten. We kennen ook de aanslagen in New York.

Over de vraag waarom er oorlog en conflict is, weten we niet veel en er wordt ook weinig aan gedaan om daarover meer te weten te komen. Er bestaat weliswaar een studiegebied, dat we de polemologie noemen. Over de oorzaken van oorlog is bijvoorbeeld een boek geschreven door prof. Rölink. Hij stelt dat er velerlei oorzaken zijn. Men denkt dat armoede de oorzaak is, maar dat is lang niet altijd het geval.Yoego-Slavië was geen arm land. Een belangrijke rol wordt wel gespeeld door de overheersing van de ene etnische of religieuze bevolkingsgroep door de andere. Ook de dynamiek van het leiderschap speelt daarin mee. Waarom komen bepaalde - goede of slechte - leiders aan de macht?

Er is een nieuwe theorie van Samuel Huntington, die stelt dat conflicten vooral ontstaan op de breuklijnen van culturen, met name  waar de Islam in contact komt met andere culturen. Een verklaring voor het conflict tussen de Islam  en het westen is de religieuze afkeer van de westerse levensstijl. Op de vraag waar het fundamentalisme vandaan komt, wordt wel gewezen op de economische en technische achterstand, die tot agressie aanleiding kan geven.

 

3.      Klimaatverandering

Volgens de laatste gegevens heeft er in de vorige eeuw een opwarming van de aarde plaats gehad van 0,8 graden. Dat is een gemiddelde; sommige delen hebben een hoger getal en andere een lager en er zijn zelfs delen die kouder geworden zijn. Voor Nederland verwacht het KNMI dat het hier warmer en natter wordt. Dat klopt wel met mijn eigen ervaring, want ik herinner mij nog heel goed dat ik in de na-oorlogse jaren elk jaar met de slee van het "Kopje" in Bloemendaal af ging en dat ik ging schaatsen op de slootjes van de IJ-polders bij Haarlem. Als het nu sneeuwt moet ik snel met mijn kleindochter een sneeuwpop maken, want de sneeuw is de volgende dag weer weg.

Eén van de consequenties van de opwarming is de stijging van de zeespiegel. Voor deze eeuw wordt een stijging van 10 - 100 cm. verwacht. Dat komt door het uitzetten van de watermassa's en door het smelten van de gletschers en ijskappen van de Zuidpool en Groenland. De Noordpool speelt geen rol van betekenis. Verder verwachten de klimaatdeskundigen meer extreme weersomstandigheden, zoals droogte en overstromingen, maar daarover is nog veel onzekerheid.

Een andere mogelijkheid is dat er een nieuwe ijstijd in Noord-West Europa komt. Dat houdt dan verband met een verschuiving van de golfstroom.

 

4.      Uitputting van grondstoffen

Het vierde probleem en misschien wel het belangrijkste is de uitputting van grondstoffen, vooral van olie en gas: de gehele economie is daarvan afhankelijk: auto's, vliegtuigen, electriciteitscentrales, verwarming, etc.

Momenteel worden er 25 miljard vaten olie per jaar gebruikt en de voorraad wordt geschat op 1000 miljard vaten. Bij gelijkblijvend gebruik is er nog voorraad voor 40 jaar. De voorraad gas kan nog iets langer mee. Wat gebeurt er daarna? Technisch gezien zijn er voldoende alternatieven: atoomenergie waartegen overigens grote bezwaren bestaan, verder zijn er de teerzanden (olie vermengt met zand), de hydraatgassen (gas vermengt met water), de steenkool, de windenergie en vooral ook de zonne-energie, die gebruikt kan worden om het zeer brandbare waterstofgas te produceren.

Technische gezien zijn er dus voldoende mogelijkheden, maar wat zijn de consequentie op het terrein van de kosten en hoe worden die productieprocessen georganiseerd? Het duurt ca 25 jaar tot nieuwe vindingen het stadium van haalbare toepassingen bereiken. De periode van overgang is dus erg kort en dat bij een wereldbevolking die tegen die tijd de 9 miljard kan hebben bereikt.

 

Hoe lossen we deze problemen op? Er worden momenteel conferenties georganiseerd en er vindt ook onderzoek plaats, maar op het gebied van de besluitvorming gebeurt er nog weinig. De huidige trend is het zoeken naar praktische procedures. Maar het is ook mogelijk een andere weg te bewandelen en die is dat we deze problemen en ontwikkelingen plaatsen in een proces van evultionaire ontwikkeling.

Die betreft de totale verandering van de samenleving, waarvan ik hierboven enkele kenmerken heb genoemd. Zo kenden we in de Midddeleeuwen een statische, hiërarchische, autoritaire samenleving, die gedomineerd werd door de kerk, de adel en vooral het koningschap. Nu zijn we op weg naar een dynamische, egalitaire, democratische maatschappijvorm, die zich langzaam maar zeker over de hele wereld verbreid.

Hoe zal die wereldsamenleving er in de toekomst uitzien? Wat is het model?

Gezien het wereldbeeld dat ik hiervoor schetste, denk ik dat we moeten zoeken naar een nieuwe blauwdruk van de aarde als totaliteit! Deze blauwdruk is er al, maar hoe kunnen we die ontdekken? Ik denk dat er een nieuwe maatschappijvorm moet komen en die noem ik het humanistisch-ecologisch wereldsysteem. Daarvan geef ik in het kort een paar kenmerken.

 

In de eerste plaats is er een wereldethiek nodig, gebaseerd op de volgende principes:

-         erkenning van de waardigheid van de individuele mens en dat betekent democratie in de politieke besluitvorming, sociale gelijkwaardigheid en handhaving van de mensenrechten,

-         de gedachte dat de mens deel van is van het ecologisch systeem van de aarde en dat wil zeggen herstel van de natuur en eerbied voor alle levensvormen,

-         een drastische beperking van het consumentisme en het materialisme en de overgang naar andere prioriteiten, zoals de beoefening van de kunst, de filosofie, de wetenschap en vooral ook het streven naar integratie van denkwijzen.

Verder zal er een wereldorganisatie moeten komen, waar op effectieve wijze besluiten genomen kunnen worden. Dat houdt in de oprichting van een wereldregering, een wereldparlement, een wereldjustitieel en een wereldmilitair apparaat. De doelstellingen daarvan zijn: een meer rechtvaardige verdeling van de welvaart; een beperking van het energieverbruik en omschakeling naar andere technieken; de ontwikkeling van  wetenschappelijke en vooral ook praktische instrumenten op de gebieden van de ecologie en  de polemologie.

 

Mijn conclusie is dat we verder zullen moeten gaan met het denken over een nieuw wereldbeeld: het streven naar waarheid, dat geen einde kent. Dat geldt ook voor de maatschappelijke situatie. We zitten in een proces van verandering en ook hierin zullen we moeten zoeken naar de voorwaarden voor overleven in een rechtvaardige, duurzame en vreedzame wereld. De Erasmus Liga (Netherlands association for the Club of Rome) zet zich met vele andere organisaties in om met name aan dit tweede doel te werken.

 

Literatuurverwijzing, o.a.:

David Bohm. Wholeness and the implicate order. London 1980

Fritjof Capra. The turning point. Science, society and the rising culture. London 1983

J. Krishnamurti. The Wholeness of life. London 1978

Erasmus Liga. Millenniumverklaring. De noodzaak van een nieuwe cultuur, Zeist 2000

Hans R. Vincent. Ons wereldbeeld en het integrale denken. Op zoek naar de eenheid van religie, filosofie en wetenschap. Kampen 2000

 

 

De orde van de schoonheid. De Iffigensee te Lenk. Zwitserland

 

 

 

 

 

 

Over blauwdrukken

Commentaar op vragen in GAMMA. Forum over onze rol in de evolutie. Februari 2001

 

De gedachte van blauwdrukken als basiskrachten van een evolutionaire orde is een combinatie van Platonistisch, Aristotelisch en natuurwetenschappelijk denken.

Plato’s ideeënleer gaat uit van de gedachte dat de feitelijke werkelijkheid, zoals wij die kennen een afspiegeling is van een veel meer omvattende andere werkelijkheid, die van de eeuwige en onveranderlijke ideeën, zoals de idee van schoonheid. Aristoteles noemt in zijn theorie van de oorzakelijkheid verschillende soorten oorzaken, waaronder ook de “finale” oorzakelijkheid. Dat wil zeggen dat dingen zich kunnen ontwikkelen op basis van een uiteindelijke vorm of bedoeling. In de eikel, de kastanje of het beukennootje ligt de vorm van de boom al vast.

De natuurwetenschap heeft de eeuwige en onveranderlijke wetten, waaraan de materie gehoorzaamt ontdekt. De zwaartekracht werkt overal en altijd (de extreme situaties, waarop de relativiteitstheorie betrekking heeft even buiten beschouwing gelaten).

Blauwdrukken zijn de verborgen finale krachten, die in algemene zin vorm geven aan de levensvormen. De biologische soorten ontwikkelen zich volgens die krachten en dat geldt ook voor de mens, zowel in individuele als in collectieve zin. Een mens kan die verborgen kracht in zichzelf realiseren, bijv. een muzikaal talent. De maatschappelijke ontwikkeling realiseert in de loop van de geschiedenis functies en structuren, die reeds in de blauwdrukken vastliggen, zoals een democratische samenlevingsvorm. 

 

Wie zijn de toeschouwers en wie de spelers? “Wij”, dat wil zeggen de grote meerderheid van de mensen zijn inderdaad toeschouwers. Het zijn vooral de geniale enkelingen, die de processen van ontwikkeling teweeg brengen: de religieuze leraren (Jezus, Boeddha), de wetenschappers (Copernicus, Einstein), de sociaal-filosofen (Rousseau, Marx), de goede politici (Roosevelt, Gorbatsjof), enzovoort. Maar soms zijn het juist ook de massa’s van een volk, die de feitelijke ontwikkelingen tot stand brengen, zoals het volk tijdens de Franse revolutie en kort geleden de omwenteling in Servië. Aan die ontwikkelingen gaat altijd een denkproces vooraf. Zo legde de theorie van het Sociaal Contract de basis voor de Franse revolutie. Het zijn steeds de denkers die de basis leggen voor maatschappelijke handeling. De reden daarvan is simpel: zij staan – veelal op intuïtieve wijze - in contact met de blauwdrukken. Ofwel in Bijbelse termen: zij ontvingen de boodschap van God.

 

In mijn boek ligt inderdaad erg de nadruk op dit “weten”, zowel langs intuïtieve als rationele weg. Dat staat ook in de titel. Wie handelt zonder kennis produceert chaos. Maar er staat ook, dat wij op basis van die kennis verantwoordelijk zijn en moeten handelen (o.a. p. 132, 152, 199, 208). Teneinde de blauwdruk van een nieuwe maatschappelijke orde te realiseren is een omvorming van de maatschappelijke instituties nodig. Instituties bestaan uit mensen, dus die omvorming kan alleen tot stand komen door “actoren”. Gorbatsjow was zo iemand. Maar Hitler heeft ook heel wat veranderd en dat niet volgens de goddelijke geboden. Ik denk, dat het soms nodig is maatschappelijke structuren te vernietigen, voordat iets nieuws kan ontstaan. Het oude huis moet afgebroken worden voordat er een nieuw gebouwd kan worden.

Blauwdrukken zijn richting gevende krachten voortkomend uit een universele scheppingskracht. Het is onze taak die krachten in de praktijk te realiseren. Dan worden we van toeschouwers tot actoren. 

 

 

 

Over reïncarnatie

Commentaar op vragen in GAMMA. Forum over onze rol in de evolutie. Februari 2001

 

De gedachte van de reïncarnatie betekent dat elke bewustzijnseenheid een lange reeks van verschijningsvormen kent. Het begrip “bewustzijnseenheid” werd in vroeger tijden, bijv. in het oud-Griekse denken wel de “ziel” genoemd, maar men kan ook een andere term gebruiken, bijv. het “Zelf”. Deze begrippen duiden op het bestaan van een geïndividualiseerde niet-materiële bestaansvorm, die afkomstig is van een universele niet-materiële bestaansvorm, dat men met begrippen als “God”, “Brahman”, “Tao” of andere begrippen kan aanduiden.

Ook het christelijk denken kent het begrip “ziel”. Volgens deze opvatting wordt de ziel geschapen mét de mens, wanneer die geboren wordt. Leeft de mens volgens de christelijke leer, dan wordt die na de dood opgenomen in het Koninkrijk der Hemelen. Leeft men “slecht”, dan is de ziel voor eeuwig verdoemd. In de moderne theologie wordt wel aangenomen, dat iemand ook vanuit een niet-christelijke overtuiging “goed” kan leven. Een variant is ook de predestinatieleer van Calvijn, volgens welke het van te voren al vast staat of men wel of niet naar de hemel gaat.

De oud-Griekse en ook de hindoeïstische opvatting, die we weer terug vinden in theosofie en ook in de anthroposofie is, dat de ziel of liever het “Zelf” een eeuwig bestaan heeft, maar vele verschijningsvormen doormaakt en daardoor in kennis en vermogen toeneemt. Het uiteindelijke opgaan in het “Universele Bewustzijn”, waar het “Zelf” vandaan komt, is een langdurig leerproces met “vallen en opstaan”.

Elk “Zelf” beschikt over een bepaalde hoeveelheid bewustzijn. Dat geldt zelfs voor het atoom, want dat voldoet aan de wetten van de wiskunde. De plant heeft ook bewustzijn, want die is gevoelig voor licht. Ook in de moderne biologie raakt men er steeds meer van overtuigd, dat planten gevoel hebben en signalen doorgeven, uiteraard op een zeer laag energetisch niveau.

Dieren hebben meer vermogens dan planten, want zij kunnen zich bewegen. Zij hebben een instinctief bewustzijn, sommige dieren ook een hoger ontwikkeld gevoelsleven, zoals men wel weet van de hond.

De overgang van dier naar mens is slechts gradueel. Mensen beschikken over een complexe taal en dat geldt niet voor dieren. Verschillen tussen mensen zijn ook groot. Sommigen leven op een vrij elementair instinctief niveau, anderen hebben vermogens tot abstraheren, redeneren, creëren. De mate van bewustzijn van de verschillende verschijningsvormen verschilt slechts gradueel, niet principieel. Met de toename van het bewustzijn nemen de vermogens, de individualiteit en ook de mate van vrijheid toe. Het leven als mens dient om te ontdekken wat het juiste gebruik van die vermogens en die vrijheid is. Het is een soort pad van “trail and error”, waartoe men steeds weer geboren wordt. Op dat pad bouwt het Zelf “karma” op, positief en negatief. Alle handelingen slaan weer terug op de handelende mens zelf. Dat is een natuurwet. Wie veel heeft geleerd, ofwel “de godddelijke geboden kent en toepast” hoeft niet meer terug te keren op de aarde, maar verblijft in de goddelijke wereld, waar men dan wel taken heeft uit te voeren, die te maken hebben met de menselijke evolutie, bijv. mensen helpen.

Wie zich meer en meer los maakt van karma, kent toenemende vrijheid.

 

Enkele vragen:

-  hoe zit het dan met de genetische structuur?

Die vraag kan men ook aan de christen stellen. In het oosterse denken kiest men zelf de verschijningsvorm uit, die overeenkomst met het eigen stadium van ontwikkeling. Een laag ontwikkeld Zelf wordt geboren als plant of dier, een hoogontwikkeld zelf als menselijk genie, met alle stadia daartussen.

-         waarom herinneren we ons geen vorige levens?

Dat is simpel: we herinneren ons de eerste levensjaren niet eens, hoewel die herinnering wel in onze hersenen is opgeslagen. Als we dood gaan, ontbinden zich de hersenen. Maar ons Zelf herinnert zich wel degelijk wat er in een leven gebeurt, maar op andere niet-materiële wijze. Deze herinneringen geven zelfs op een veelal onbewuste wijze leiding aan ons leven. Dat geldt vooral voor niet nader te verklaren neigingen, sympathieën en antipathieën. Dat kan betrekking hebben op personen, vakgebieden, landen, klimaatomstandigeheden en noem maar op. Met name speelt dit in het relationele vlak: ik trouw met iemand, die ik in mijn vorige leven heb ontmoet. Ik heb ruzie met iemand die mij in een vorig leven vermoord heeft, etc.

Relaties kunnen dus gebaseerd zijn op karmische binding, maar de mens gaat ook steeds weer nieuwe relaties aan. Dan doen we ook weer nieuwe ervaring op. Regressietherapeuten hebben ook therapeutische hulpmiddelen om herinneringen op te roepen.

-         hoe komt het dat er de laatste paar honderd jaar ineens zoveel mensen leven?

Dit is een moeilijke vraag. Eén mogelijkheid is de bioscoop-theorie: Als er tweeduizend mensen zijn, die allemaal naar de bioscoop met 100 plaatsen willen, dan zullen er velen zijn, die een tijdje moeten wachten. Wordt er een bioscoop met 1000 plaatsen gebouwd, dan gaat de roulatie veel sneller. Een andere theorie is de planeet-theorie: de zielen die nu de aarde bevolken komen vooral van andere planeten, die ten onder gaan. Op de aarde is nu voldoende plaats. 

 

 

 

Oosterse religie. De Meenakshi-tempel in Zuid-India

 

 

 

 

 

 

 

 

Over wereldbeelden

 

DE EVOLUTIE VAN HET WERELDBEELD (I + II)

Hans R. Vincent

In: GAMMA. Forum over onze rol in de evolutie,  juni + augustus 2002

 

 

De voorgeschiedenis van het menselijk denken

 

De mens, waarvan volgens de huidige inzichten de eerste soorten in Afrika ontstonden, heeft een evolutie-periode van ca 2,5 miljoen jaar achter de rug. In deze periode leefden de voorlopers van de huidige menselijke soort,zoals de homo habilis, die instrumenten kon maken, de homo erectus, de rechtoplopende mens en de Neandertaler. Over het begin van de huidige menselijke soort, de homo sapiens ofwel Cro-Magnonmens lopen de meningen uiteen, maar vrij zeker is dat deze al meer dan honderdduizend jaar grote delen van de aarde bevolkt. Dat blijkt uit paleontologische vondsten. De grotschilderingen in o.a. Frankrijk en Spanje, die een vergevorderd kunstzinnig vermogen laten zien, zijn enkele tienduizenden jaren oud.

De evolutie van deze mens - onze soort - heeft zich in vergelijking met die van de diersoorten in een zeer korte periode afgespeeld: in de periode van 20.000 tot 10.000 jaar geleden kwamen de grotschilderingen tot stand, ca 8.000 - 5.000 jaar geleden werden de eerste steden gebouwd en in de periode daarna, 5.000 - 3.000 jaar geleden werden stadstaten en koninkrijken gevormd, waaronder die van de Indusvallei, Mesopotamië en Egypte. Er verrezen pyramides en tempels, het schrift en het wiel werden uitgevonden en er werd meer en meer gebruik gemaakt van het paard en de os. Een belangrijk kenmerk van deze ontwikkeling was het bestaan van verhalen in de vorm van mythes en epossen, die betrekking hadden op het ontstaan van de wereld en de mens en ook op de geschiedenis van het volk. De tempels werden gebruikt voor ceremoniën ter verering van de goden en de pyramides, met name die in Egypte, hadden de functie van grafheuvel voor de overleden farao.

In de periode, die ca 1000 v. Chr. begint ontstaan nieuwe wijzen van denken. Zowel in het Midden-Oosten als in het noordelijk deel van wat nu India heet komen monotheïstische opvattingen naar voren. Een eerdere poging van de een van de farao's om de verering te beperken tot één godheid was mislukt. Maar de joden, die in diverse stammen waren verdeeld   

voerden het monotheïsme in, de leer van de éne godheid Jahweh die schepper is van deze wereld en wiens geboden gevolgd moeten worden. Ook in Noord-India zien we vormen van monotheïsme ontstaan. Het Hindoeïsme kent weliswaar een pantheon van goden en godinnen, maar in de Hindoe-filosofie, de Vedanta is het Brahman de scheppende goddelijke kracht, waarvan de diverse emanaties, zoals Rama, Krishna en Boeddha de boodschap hebben verkondigd.

Vrij spoedig daarna, vanaf ca 500 v. Chr. zien we op vele plaatsen filosofische systemen ontstaan, waarin dat éne scheppende principe grondslag voor het wereldbeeld vormt. In Griekenland is dat de filosofie van Plato (met scheppend principe theos, vertaald met God), in Egypte het Hermetisme (God), in India de leer van de Bhagavadgita (Brahman) en in China het taoïsme (Tao).

Men kan zich afvragen of deze leringen, die veel gemeenschappelijke elementen hebben, uit dezelfde bron stammen. Het Indiase en het Griekse denken kunnen verwant zijn, omdat deze volken uit dezelfde Indo-Europese stammen voortkomen. Tussen Griekenland en Egypte zijn er handelsverbindingen geweest en dat gold in een later stadium ook voor China en India.

Het monotheïsme heeft zich vanuit het Midden-Oosten na het begin van de jaartelling verbreid door het christendom en de islam, die beiden de éne scheppende godheid, resp. God en Allah, hebben aanvaard. In India was al het boeddhisme ontstaan, dat veel navolging vond in Zuid- en Oost-Azië. Deze leer aanvaardt wel het Hindoeïstische scheppingsverhaal, maar is toch meer pantheïstisch georiënteerd, omdat alle gebeurtenissen voortkomen uit de wil van de betreffende machten en personen. Een ethiek van losmaking van de gebondenheid aan de wil tot leven is het belangrijkste element van deze leer.

 

Het atheïsme

 

Ook in de filosofie worden de vragen naar oorzaak en doel van alle dingen gesteld. In de regel wordt die oorzaak toegeschreven aan de ene Godheid, maar er worden ook andere soorten begrippen gebruikt. In de oude Griekse filosofie van ca 400 v. Christus is reeds gezocht naar de materiële bronnen van al het bestaande. Het water, de lucht, het vuur, het getal waren bij verschillende filosofen de verklarende categorieën evenals de "atomen", de ondeelbare elementen van de materie, die door samensmelting de wereld vormden.

De eerste natuurkundigen zochten ook naar de samenstelling van de materie en naar de bewegingswetten. Het is merkwaardig, dat die wetenschappen in Europa, vanaf ca 1500 n. Chr., tot ontwikkeling gekomen zijn. In de oude culturen, zoals Egypte, Griekenland en Rome, maar ook in China was de kennis van de wiskunde en van de astronomie verder ontwikkeld dan in het Europa van de Middeleeuwen.

De natuurwetenschappen zijn gebaseerd op het principe van de inductie: de oorzakelijke verklaring van verschijnselen. Door het succes van deze methode in de wereld van de materiële verschijnselen, werden meer en meer ook andere terreinen van de werkelijkheid op dezelfde wijze benaderd, zoals het leven van planten en dieren (de biologie), het maatschappelijk leven (de sociologie) en het leven van de individuele mens (de psychologie).

In de 19e eeuw werden ook verklarende theorieën voor het verschijnsel godsdienst gezocht en ook gevonden. Door de ontdekking van Charles Darwin, dat van  plant- en diersoorten op grond van het mechanisme van de natuurlijke selectie de eigenschappen kunnen veranderen, is de evolutietheorie ontwikkeld  waardoor het scheppingsverhaal uit de Bijbel overbodig zou zijn. In de sociologie werd gekeken naar de maatschappelijke functie van de godsdienst. Vele sociologen waren het erover eens, dat religie een stabiliserende factor in de samenleving vormt. Karl Marx greep dit gezichtspunt aan ter bevestiging van zijn theorie van het historisch materialisme. Stabiliteit was in het belang van de heersende klassen in de samenleving, te weten die van koning, adel, geestelijkheid en in het Europa van na de Middeleeuwen ook de rijke bourgeoisie.

De psychologie keek naar de betekenis van religie voor de menselijke psyche. In het begin van de 20e eeuw meende Sigmund Freud, die uitging van het standpunt dat men de menselijke psyche op dezelfde wijze zou kunnen bestuderen als de materie, dat religie niet veel anders is dan een projectie: de gevoelens van hulpeloosheid van het kleine kind en het verlangen naar de bescherming van de vader worden op latere leeftijd geprojecteerd in een almachtige "Vader".

In de wereld van de wetenschap drong het atheïsme dan ook snel door. Gezien het prestige van deze bron van kennis volgt de samenleving in snel tempo: vele verschijnselen op materiëel, biologisch, sociologisch en psychologisch gebied, waaronder ook de religie zijn verklaarbaar uit hun eigen oorzaken.   

 

Wat is religie?

 

Zijn religies projecties van natuurlijke en maatschappelijke ervaringen? In het algemeen wordt aangenomen, dat het animisme, het geloof in monsters, geesten en voorouders voortkomt uit ervaringen met natuurverschijnselen, die de natuurvolken probeerden te begrijpen en te beheersen. De zon, de regen, de wind, de rivieren, de dieren, de vruchtbaarheid van de aarde en van de vrouwen zijn alle nodig om het leven van de stam voort te kunnen zetten. Deze krachten worden gepersonifiëerd als geestverschijningen, wier gunsten worden afgesmeekt door ceremoniën en offers. Die offers hadden meestal de vorm van dieren, die voor het voortbestaan van belang waren, maar er waren ook vormen van kinderoffers en mensenoffers tot en met de massale slachtingen die de Azteken aanbrachten onder hun gevangenen.

Het is duidelijk dat de maatschappelijke instituties, die met die ceremoniën verbonden waren, de godsdiensten met hun totems, tempels, priesterkasten, sociale regels en tradities tot machtsfactoren zijn verworden, die in veel gevallen ook misbruikt zijn. De ceremonies hadden dan niet meer tot doel regen te maken of de zon te laten opkomen, maar slechts een voortdurende bevestiging van de sociale structuur, inclusief handhaving van de sociale machtsverhoudingen, op straffe van uitstoting of dood.

Dit gold niet alleen voor de natuurvolken, maar ook voor een aantal meer ontwikkelde stedelijke samenlevingen uit de oude tijd. Bovendien hadden de geesten en vooral ook de goden (ook godinnen) uit het polytheïsme nog een andere functie: de symbolisering van de sociale eenheid, t.w. de stam of de stadstaat. We weten maar al te goed uit de oude Griekse en Romeinse verhalen, dat iedere stad zijn eigen godheid had en zich daardoor kon onderscheiden van een andere stad(staat).

Ook in de latere monotheïstische religies zaten duidelijk maatschappelijke functies verborgen. Zij reflecteren maatschappelijke structuren en daarbij behorende waarden en tradities. Zo is het opmerkelijk, dat de hoogste godheid in de patriarchaal gestructureerde samenlevingen steeds in de vorm van een mannelijke manifestatie wordt beschreven. Het "God, de vader" of  "de Heer" is ons allen welbekend. Ook Jahweh en Allah worden met mannelijke termen aangeduid. Brahman wordt eveneens beschreven als "de Heer". Dat geldt niet voor het Tao, dat als androgyn (mannelijk-vrouwelijk) wordt omschreven.

Overigens zijn er zowel in de christelijke alsook in de hindoeïstische tradities vormen van vrouwenverering geweest en nog aanwezig. De Mariacultus in vele Rooms-Katholieke en Oosters- Orthodoxe streken behoef ik niet te noemen, evenals de heiligenverering - mannen én vrouwen - binnen dezelfde religies. Ook in de hindoeïstische en zelfs in sommige boeddhistische regio's worden godinnen en vrouwelijke boeddha's vereerd. Maar het hoogste gezag, de scheppende godheid en zijn vertegenwoordigers - Jezus, Mohammed, Krishna, Boeddha - zijn mannen en dat heeft duidelijk te maken met de projectie van maatschappelijke structuren en  omstandigheden.     

Ook aan machtsmisbruik heeft het aan de meeste poly- en monotheïstische religies niet ontbroken. Het hindoeïsme heeft lange tijd gediend als legitimering van de kastenstructuur van de samenleving, inclusief het bestaan van kastenlozen, de uitgestotenen of "harijans".

Ik hoef in de christelijke historie slechts de massamoord op de katharen te noemen die met instemming van de kerk is uitgevoerd, de inquisitie met bijbehorende brandstapels, de massamoorden op de Indianen van Zuid- en Noord-Amerika en de tolerantie van de kerken tegenover de slavenhandel en de holocaust.

In de islamitische wereld werden aanhangers van andere religies onder druk gezet om over te gaan naar de islam, veelal door financiële voordelen in het vooruitzicht te stellen. Verder werd en wordt de islam gebruikt ter voortdurende bevestiging van de macht van de mannen over de vrouwen en in de huidige tijd ook als legitimering van terroristische activiteiten.

 

Is religie alleen maar projectie van menselijke angsten, verlangens en vormen van agressie, gerelateerd aan bepaalde maatschappelijke structuren?

Ik denk dat religie nog een andere functie heeft, waaraan mede zijn kracht te danken is. Dat betreft het verklarend vermogen, het wereldbeeld, waarin alles zijn plaats en functie heeft. De plaats van de zon, de sterren, de maan, de planeten, de planten en de dieren en de functies daarvan ten opzichte van de mens vinden we zowel in de polytheïstische als in de monotheïstische religies omschreven, evenals de leefregels van mensen - de geboden - binnen een maatschappelijke eenheid. Ook voor de menselijke ervaringen van ziekte en dood worden verklaringen gegeven.

Religie biedt dus psychische en sociale zekerheid en dat is in een onzekere levenssituatie een belangrijk aspect. Het onderdrukken van de religie door communistische regeringen blijkt dan ook heel moeilijk. In onze westerse maatschappij zijn er voor de gevaren van onzekerheid vervangers gevonden, zoals de algemene welvaart en het geloof in wetenschappelijke en technische vindingen die de onzekerheden van het bestaan niet kunnen wegnemen, maar toch wel verminderen.

 

Filosofie en wetenschap

 

Niet alleen de religie heeft een ideële functie. Er zijn filosofieën, die  eveneens een tamelijk compleet wereldbeeld leveren. Ik noem Plato, Aristoteles, de Vedanta en de filosofie van Hegel. Maar hun rol blijft beperkt tot intellectuele debatten, die heel lang kunnen voortgaan. Zo zijn met name de genoemde Griekse filosofen later gebruikt in de theologische stelsels van Augustinus en Thomas van Aquino. De filosofie mist de pretentie van de openbaringsreligies met hun dogmatiek en autoriteit. Dat wil overigens niet zeggen dat de grote filosofieën niet op een dogmatische en autoritaire wijze worden gebruikt!

De psychische en sociale functies, zoals hiervoor omschreven, zijn in de filosofie uiterst beperkt. Filosofie ontstaat uit redeneren, soms gebaseerd op ideële uitgangspunten ontleend aan de religies, soms ook met de reële werkelijkheid als uitgangspunt. Veelal is het een combinatie van beiden, waarbij we kunnen constateren dat de werkelijkheid in de moderne filosofie een steeds belangrijker plaats inneemt. Dat gaat ten koste van het wereldbeeld-als-geheel. Er wordt nu vooral nog nagedacht over sociale filosofieën, existentiefilosofie, analytische-, taal- en wetenschapsfilosofie. Het zijn facetten van de werkelijkheid, maar ook niet meer dan dat. Zij vullen een paar gaten in de wetenschap, die daarvan soms gebruik maakt, met name in de menswetenschappen..

Wat wetenschap is, mag genoegzaam bekend verondersteld worden: feiten worden verzameld door waarneming van gebeurtenissen in de natuurlijke omgeving of door experimentele omstandigheden. Uit die feiten worden conclusies getrokken. Indien door herhaling van de waarnemingen steeds dezelfde gevolgtrekkingen mogelijk zijn, wordt gesproken van een theorie. De toetsing is een voorwaarde voor wetenschappelijk werk, waarbij de wetenschapsfilosoof Karl Popper de nadruk legt op de falsificatie: het moet mogelijk zijn een theorie zo te toetsen, dat onjuistheid kan blijken.

In de natuurwetenschap zijn op deze wijze talloze theorieën ontstaan, zoals die met betrekking tot de zwaartekracht, het licht en radiogolven, de atoomtheorie, het ontstaan en de structuur van het heelal, enzovoort. In de biologie is - zoals gezegd - het mechanisme van mutatie en selectie ontdekt, evenals de DNA-structuren. In de economie weten we iets over de omloop van geld. Maar de menswetenschappen, zoals de psychologie en de sociologie komen na 150 jaar nog niet veel verder met theorievorming. Het gaat hierbij nu eenmaal om uiterst complexe processen.   

 

Integraal denken

 

De religie is gebaseerd op openbaring en dus speculatief. De filosofie is resultaat van redenering, waarin argumenten over de juistheid van bepaalde stellingen worden gebruikt. De wetenschap biedt zekerheden en in dat opzicht is er veel bereikt. Maar op een aantal meer fundamentele vragen van het bestaan heeft de wetenschap geen antwoord en zal dat vermoedelijk in de toekomst ook niet hebben. Wat is de oorsprong, de toekomst, de zin van het menselijk leven, zowel maatschappelijk als persoonlijk? Is er een andere niet-waarneembare wereld en hebben wij daarmee een relatie, bijvoorbeeld na de dood?

Hierop zijn geen getoetste antwoorden mogelijk en dus blijven we daarvoor afhankelijk van openbaring en redenering.

De wetenschap reageert op deze problematiek op drie wijzen:

-         atheïsme, d.w.z. ontkenning, dat er ook maar iets van een niet-waarneembare wereld bestaat,

-         agnosticisme, d.w.z. dat kennisverkrijging van de ontbrekende gegevens niet mogelijk is, zonder daarbij het bestaan van een andere wereld te ontkennen,

-         integraal denken, d.w.z. een invulling van de ontbrekende kennis vanuit religieuze en filosofische gezichtspunten.

Over het eerste gezichtspunt heb ik reeds eerder in GAMMA geschreven (zie GAMMA april 2001, p.33 e.v.). Het tweede gezichtspunt vloeit voort uit onwil om tot verder onderzoek over te gaan. De derde opvatting is net zo oud als de wetenschap zelf. De natuurwetenschappers uit de 16e en 17e eeuw beoefenden de wetenschap binnen een religieus kader. God had de wereld geschapen en de wetenschap bestudeert hoe die wereld in elkaar zit. Door Darwin kwam het empiristisch gezichtspunt tot volle ontwikkeling: de exclusiviteit van de wetenschappelijke methode.

Maar ook meer recentelijk zijn er wetenschappers, die met de vragen naar oorsprong, doel en zingeving blijven worstelen. De grote natuurkundigen Niels Bohr en Albert Einstein geloofden in God. Bohr was ook geïnteresseerd in de Chinese filosofie van het taoïsme.

De natuurkundige David Bohm, gespecialiseerd in relativiteitstheorie en quantumtheorie heeft zich intensief beziggehouden met de oosterse filosofie. Hij was ook persoonlijk bevriend met de filosoof Krishnamurti. Zijn stelling is dat de westerse, empirische en analytische denkwijze, die het meetbare betreft, een goede aanvulling vormt op het oosterse, meer intuïtieve en synthetische denken dat juist op het onmeetbare is gericht. Dat intuïtieve denken heeft de mogelijkheid in contact te treden met een heel andere werkelijkheid, die buiten ons waarnemingsvermogen ligt, de zogenaamde "impliciete orde". Ook de natuurkunde zelf geeft aanwijzingen, dat er zo'n werkelijkheid bestaat. Bohm is op grond van berekeningen tot de conclusie gekomen dat de lege ruimte gevuld is met energie, waarvan we de betekenis niet kennen.

Ik kan nog meer wetenschappers en filosofen noemen die met een integrale denkwijze bezig zijn door een verbinding te leggen tussen de wetenschappelijke en de religieus-filosofische werkelijkheid, zoals Carl Jung (psychologie), Jean Gebser (filosofie), Rupert Sheldrake (biologie) en Fritjof Capra (natuurkunde). Ook in Nederland zijn filosofen en wetenschappers op dit gebied werkzaam, zoals beschreven in mijn boek over integraal denken, terwijl in GAMMA gezichtspunten met een gelijkluidende intentie worden gepubliceerd. Dat geldt voor Sjoerd Bonting met zijn chaostheologie en zijn poging om het darwinistisch denken in overeenstemming te brengen met het Bijbelse scheppingsverhaal. Benedict Broere met zijn AOS-systeem (analyse, omega, synthese) zoekt in een soortgelijke richting.

Mijn standpunt is dat de wetenschap slechts over een klein gedeelte van de totale werkelijkheid, de "fysica", kennis kan verkrijgen en dat kennis over dat andere veel meer omvattende terrein dat tot de "metafysica" behoort, langs een intuïtieve, synthetische weg benaderd kan worden. Daartoe is er een enorme rijkdom aan geschriften uit filosofische en religieuze bronnen, waar we uit kunnen putten. Ik wil de geschriften noemen uit de oude joods-christelijke en de Grieks-Romeinse geschiedenis, de latere bronnen van de kerkvaders, de humanistische filosofie (Erasmus), het Duitse idealisme (G.W.F.Hegel), de existentiefilosofie (Kierkegaard, Sartre), de filosofie van Bergson en de biologisch-religieuze leer van Teilhard de Chardin.

Ook sommige filosofische en religieuze bronnen uit de oosterse culturen leveren ideeën, die voor dit doel gebruikt kunnen worden. Ik noem daarbij de enorme schat aan filosofische en literaire geschriften uit het hindoeïsme, het boeddhisme en het taoïsme, maar er zijn ook belangrijke bronnen uit de islamitische en de Indiaanse culturen.

Zo zijn er talloze vormen van integraal denken mogelijk. Voorwaarden voor het gebruik van het begrip "integraal" zijn wel, dat er een scheppinsleer aanwezig is, dat er sprake is van een ontwikkelde vorm van metafysica - het niet waarneembare gebied van de werkelijkheid -, dat de fysica - dat wil zeggen de natuurwetten - worden gerespecteerd en dat er ontwikkelingstheorieën op sociologisch en psychologisch gebied aanwezig zijn. Een duidelijk beeld over de herkomst van de materie, het leven, de levensvormen, de mens, de mensheid en het individuele bestaan, de bestemming en de zingeving daarvan behoren tot het integrale denken (zie ook mijn boek "Ons wereldbeeld en het integrale denken").  

 

Is er evolutie in het denken?

 

Het menselijk leven heeft met name de laatste 10.000 jaar een snelle ontwikkeling doorgemaakt. We noemen dit evolutie, waarbij dit begrip wordt gebruikt in de meer algemeen toepasselijke betekenis: de ontwikkeling naar een hoger stadium. We kunnen ook zeggen, enigszins naar analogie van de ontwikkelingen in de wereld van de biologie: de veranderingen leidend naar vormen van meer complexiteit en meer overlevingswaarde. Zo is het duidelijk dat zowel de mens als individualiteit, als ook de menselijke maatschappij zich in de genoemde periode hebben ontwikkeld tot vormen van meer complexiteit. Zo hebben mensen, zowel op individueel niveau, maar juist ook als collectiviteiten op de gebieden van taalgebruik, kennis en bekwaamheid aanzienlijk meer vermogens verkregen, die soms op expressieve wijze, zoals in de kunst, maar veelal ook op functionele wijze, zoals in de techniek, worden gebruikt.

De maatschappijvormen hebben zich ontwikkeld van de stamsamenleving tot de stadstaat en vervolgens tot de natiestaat. Er zijn wereldrijken geweest, zoals het Romeinse Rijk, het "Britisch Empire" en de Sovjet-Unie en we zijn nu op weg naar een wereldsamenleving, waarin alles met alles samenhangt. De samenleving is voor een groot gedeelte van de mensheid momenteel uiterst complex geworden en het vermogen om de natuurlijke omgeving te beheersen neemt in snel tempo toe.

De vraag is of mét de toenemende complexiteit en de daarbij behorende vermogens - evolutie dus - van de mens en de maatschappij ook het menselijk denken zich naar hogere stadia heeft ontwikkeld, een proces dat misschien ook nu nog voort gaat. Daarbij heb ik het dan niet over de wetenschappelijke kennis en het technische kunnen, want daarover bestaat geen twijfel. Mijn vraag is of de ontwikkeling van de wereldbeelden, die zich in de loop der geschiedenis hebben gemanifesteerd een duidelijke richting vertoont, en wel in evolutionaire zin. 

 

Mijn these is dat er zich een beweging voordoet van minder omvattendheid naar meer omvattendheid en van minder realiteitswaarde naar meer realiteitswaarde. Van daaruit kom ik tot de theorie dat er zich een evolutionaire ontwikkeling in het denken voordoet en wel als volgt: animisme -> polytheïsme -> monotheïsme -> atheïsme -> integraal denken.

Animisme: dat is de verklaring van de werkelijkheid door een veronderstelde bezieling van de waargenomen verschijnselen. Volgens de huidige inzichten bestaat die bezieling niet. De wereld wordt geleid door natuurwetten en dat geldt naar alle waarschijnlijkheid ook voor de psychische en maatschappelijke ontwikkelingen.

Polytheïsme: hiervoor geldt deels hetzelfde. De goden en godinnen zijn projecties van natuurkrachten, van menselijke verlangens en ook van meer complexe maatschappelijke verschijnselen, zoals de gemeenschappelijke identificatie binnen steden en stadstaten.

Monotheïsme: het verklaringsgehalte is hoger dan dat van de animistische en polytheïstische religies, maar ook hierin zitten talloze natuurlijke, psychische en maatschappelijke elementen als projecties verwerkt. De impulsen tot hogere vormen van ethiek - "hebt uw naasten lief als uzelve"- zijn slechts in beperkte mate tot realisatie gekomen. Monotheïstische godsdiensten hebben geleid tot onderlinge solidariteit, maar ook tot oorlog en massamoord. 

Atheïsme: de materialistische denkwijze heeft grote vorderingen op de gebieden van wetenschap en techniek tot gevolg gehad. De moderne mens leeft in meer complexe structuren en met meer vermogens tot beheersing van zijn omgeving. Maar de fundamentele en existentiële vragen kunnen op deze wijze niet beantwoord worden. De atheïst wordt gekenmerkt door psychische leegte.

Integraal denken: het integrale denken in zijn veelvormigheid gaat uit van de wetenschappelijke zekerheden. Daarnaast zoekt het naar veronderstellingen over dat gedeelte van de totale werkelijkheid, dat buiten de waarneming en het exacte denken valt. Daarbij kunnen de vele en rijke bronnen van religieuze en filosofische herkomst tot uitgangspunt dienen. Zij moeten wél op zodanige wijze worden gebruikt, dat zij van hun historische, psychische en maatschappelijke achtergronden worden gezuiverd. Een nieuwe interpretatie op grond van de huidige stand van de kennis zal daarbij noodzakelijk zijn. Dat zal zeker niet leiden tot eenvormigheid, maar eerder tot een veelheid van mogelijke concepties, waarbij geen doorslaggevende argumenten over hun juistheid mogelijk is.

 

Conclusie 

 

De studie omtrent de betekenis van wereldbeelden staat nog in de kinderschoenen. Gezien de zeer omvangrijke literatuur van religieuze, filosofische en wetenschappelijke herkomst ligt er nog een omvangrijk terrein voor verkenning. GAMMA heeft zich opgeworpen als medium om dit terrein te ontginnen en dat is een goede zaak. Laten wij vooral daarmee doorgaan.

 

Literatuur

(een selectie)

 

Filosofen van de twintigste eeuw. Redactie drs C.P. Bertels en E. Petersma. Assen/Amsterdam 1973

 

Bhagavadgita. Het klassieke boek van yoga en bezinning. Deventer 1989

 

David Bohm. Wholeness and the implicate order. London 1980

 

Sjoerd L.Bonting. Schepping en evolutie. Een poging tot synthese. Kampen 1996

 

John Burnet. Early Greek philosophy. London 1975

 

Joseph Campbell en Bill Moyers. Mythe en bewustzijn. De kracht van de mythologische verbeelding. Teleac, Houten 1990

 

Charles Darwin. De oorsprong der soorten. Ingeleid door Richard E. Leakey. Ede 1980

 

Sigmund Freud. Abriss der Psycho-analyse. Das Unbehagen in der Kultur. Frankfurt 1965

 

GAMMA. Zie betreffende artikelen van Benedict Broere, Henk Hoogeboom van Buggenum en Sjoerd Bonting  .

 

De grote godsdiensten, historisch en actueel. Redactie Geoffrey Parrinder. Amsterdam 1972

 

Plato. The collected dialogues. Princeton University Press, Princeton N.Y. 1961

 

J.P. van Praag. Grondslagen van Humanisme. Boom, Meppel 1978

 

Bertrand Russel. Geschiedenis der westerse filosofie. Wassenaar 1975

 

Antwoord. Gestalten van geloof in de wereld van nu. Hoofdredactie prof.dr.J. Sperna Weiland.  Amsterdam 1975

 

Pierre Teilhard de Chardin. Zijn leven, zijn werken en de betekenis van zijn visie op de evolutie van onze toekomst. Extra-GAMMA nr 5

 

H.R. Vincent. Enkele ideeën over een integraal wereldbeeld. Bulletin van de Erasmus Liga no 38, 1996

 

H.R. Vincent. Pantheïsme en een persoonlijke weg van spirituele groei. in:

S.W. Couwenberg (red.). Karma, reïncarnatie en de roep om zingeving. Kampen 1997

 

Hans R. Vincent. Ons wereldbeeld en het integrale denken. Op zoek naar de eenheid van religie, filosofie en wetenschap. Kampen 2000

 

H.M. Vroom. Geen andere goden. Christelijk geloof in gesprek met boeddhisme, hindoeïsme en islam. Kampen 1993

 

 

 

DE EVOLUTIE VAN HET WERELDBEELD (III)
 
Hans R. Vincent

In: GAMMA. Forum over onze rol in de evolutie,  april 2003

 

“God” is illusie: 4 argumenten

 

Bij het lezen van de artikelen en discussies in GAMMA over God, krijg ik soms het gevoel dat ik in een Middeleeuws theologisch gezelschap terecht ben gekomen. Theïsme, pantheïsme, panentheïsme, chaostheologie en naturalistisch theïsme zijn de diverse opties, allemaal gebaseerd op de eerste zin van de Bijbel, “In den beginne schiep God de hemel en de aarde” en wat daarop volgt.

Gelukkig hebben sommige artikelen ook rekening gehouden met de ontdekkingen van Darwin, waardoor de oude theologische dogmatiek enigszins gerelativeerd wordt. Maar ook Darwin had God nog nodig, niet om de mens voort te brengen, wél om de eerste oervormen van het leven te creëren, met name de eerste cel, waaruit volgens het mechanisme van mutatie en selectie alle levensvormen zich hadden ontwikkeld. Ondertussen vermoeden we dat die eerste cel verborgen in een meteoriet uit de ruimte op de aarde is geland, zodat ook dat probleem is opgelost, zij het dat de vraag zich voordoet, wie of wat de ruimte-cel heeft geschapen.

Niet alleen Darwin heeft de Bijbelse dogmatiek op losse schroeven gezet. Ook de sociale wetenschappen hebben hun bijdrage geleverd, al zijn die veel minder bekend. Ongeveer tezelfdertijd als Darwin kwamen de socioloog Emile Dürkheim en de vader van het socialisme Karl Marx tot de overtuiging, dat God niet bestaat. Dürkheim meende dat godsdienst en ook het godsbegrip nuttige functies hebben om de sociale samenhang van gemeenschappen te bevorderen, maar meer ook niet. Marx maakte duidelijk, dat alle ideeën – godsdienst, filosofie, wetten – instrumenten van de heersende klassen zijn, die dienen om de andere maatschappelijke groeperingen, vooral de arbeiders, onder de duim te houden: “de heersende ideeën zijn de ideeën van de heersende klassen”. De bedoeling van de religie is volgens Marx voldoende duidelijk: wie arm is, maar zich in dit leven netjes gedraagt, komt later in de hemel. Met andere woorden: kom niet in opstand en doe wat je gezegd wordt! Deze analyse van de religie is bij zijn volgelingen goed overgekomen, want zoals bekend zijn zowel de communisten alsook de meeste – westerse – socialisten atheïstisch.

Een beetje later, begin 20e eeuw, heeft Sigmund Freud een ander, maar niet strijdig, argument geleverd tegen de religie. In “Das Unbehagen in der Kultur” heeft hij het over “Die Zukunft einer Illusion”, dat wil zeggen: de religie. Het godsbegrip is niets anders dan een projectie van de mens, die als klein kind heeft geleerd, dat de vader oppermachtig en alwetend is en zonodig beloning en straf uitdeelt. Dit beeld blijft bestaan en wordt geprojecteerd op een bovenzinnelijke oppermachtige, alwetende “Vader”, die zijn kinderen wel liefheeft, maar ook beloont en straft als zij zich niet aan de regels houden. Wie de structuur van onze psyche kent, heeft geen God nodig.

In de discusssie over God kunnen wij de argumenten van Darwin, Dürkheim, Marx en Freud niet gewoon maar ter zijde schuiven. De biologische, sociologische en psychologische verklaringen zijn dermate hard, dat wij er niet er niet omheen kunnen. De wereld is sedert de Middeleeuwen niet stil blijven staan. De wetenschap heeft veel theologische dogma’s achterhaald en daarom weten we nu het een en ander over de materie, het heelal, de aarde, de natuur en ook over onszelf. Maar als God een te verklaren begrip is en dus niet bestaat, krijgen we wel met problemen te maken, althans voor degene die vragen stelt over herkomst, doel en betekenis van al het bestaande, inclusief zijn/haar eigen bestaan. Deze meer fundamentele vragen zijn niet opgelost en zullen dat met gebruik van de wetenschappelijke methode ook nooit worden.

 

4 Redenen voor bescheidenheid

 

Daarom moeten we tóch, graag of niet, naar de religie en de filosofie toe. Alvorens daarin naar antwoorden te zoeken, zullen we de nodige bescheidenheid in acht moeten nemen, restricties, die ons door de wetenschap worden aangereikt. Zij betreffen de aard van de materie, de ruimte, de tijd en de natuur.

Wij weten het een en ander over de materie, maar we weten ook een heleboel dingen niet, bijvoorbeeld wat zwaartekracht is. De astronomen en fysici zijn wel erachter gekomen, dat wat wij waarnemen maar een klein deel is van alle in het heelal aanwezige materie. De rest wordt “donkere materie” en “donkere energie” genoemd ofwel een “see of energy”, zoals de natuurkundige David Bohm het heeft uitgedrukt. Die donkere energie zit overal, ook in de “lege” ruimte. Wat zit is die donkere energie? Waarschijnlijk maakt de zwaartekracht, die we maar niet kunnen vinden, er deel van uit, maar – naar mijn mening - misschien nog wel een heleboel andere dingen, zoals “donkere levensvormen”, of  “verborgen hogere energieën”, in de werelden van (bij)geloof aangeduid met geesten, goden, godinnen, engelen of ufonauten. Wie zal het zeggen? Waarnemen kunnen we ze niet, maar zolang de mensheid bestaat, waren er steeds weer verhalen over onzichtbare wezens. Leven die misschien in die donkere materie – of anti-materie? -, die wel eens helemaal niet zo donker zou kunnen zijn?  

De materie kent dus vele geheimen, maar de ruimte, waarin die materie zich bevindt is nog veel geheimzinniger. Onze aarde is deel van het zonnestelsel en de zon is één van de circa 100 miljard sterren binnen ons sterrenstelsel, de melkweg. In het heelal, voor zover men daarin kan doordringen zijn er tenminste wel een miljard van die sterrenstelsels gevonden. Wat gebeurt er rondom die 100 triljoen (18 nullen) sterren? Zijn daar planeten met al of niet ontwikkelde levensvormen? Er wordt wel gezocht naar exo-planeten (buiten ons zonnestelsel) en er is er ook een aantal gevonden, maar voor zover ik weet zijn er geen pogingen ondernomen om statistisch uit te rekenen hoe groot de kans is dat er planeten met levensvormen bestaan. Als wij aannemen, dat elke ster gemiddeld 2 planeten heeft en dat er één op de 1000 daarvan levensvormen kent en daarvan weer één op de 1000 intelligent leven, dat betekent dat een totaal van 50 biljoen (12 nullen) planeten met intelligent leven. Hoe zouden die levensvormen eruit zien? De menselijke – aapachtige - vorm of geëvolueerde vliegen, spinnen, vogels, kippen, dolfijnen of nog andere wezens? We weten er niets van.

Er is nog een reden tot bescheidenheid en die heeft betrekking op de tijd.

Levensvormen bestaan op deze planeet ongeveer een half miljard jaar. Onze biologische soort mens, de Homo Sapiens of Cro-Magnon mens bestaat naar schatting 100.000 jaar. Vanaf ca 5000 jaar geleden zijn er mensen die in geciviliseerde gemeenschappen leven met landbouw, veelteelt, steden, schrift, kleding, het gebruik van het paard en van de os. Vanaf ca 200 jaar geleden beschikken we over meer ontwikkelde technieken. Vrijwel de hele duur van het bestaan van leven op deze aarde waren er slechts primitieve levensvormen, waarvan het nut of de betekenis absoluut onduidelijk is. De geciviliseerde mensheid bestaat pas één honderdduizendste deel van de geschienis van de levende soorten.

Wél duidelijk is, dat de meest geëvolueerde vorm van het leven - wij moderne mensen dus -, aan de ene kant beschikt over grote intelligente en creatieve vermogens, maar moreel gezien het stadium van de diersoorten niet te boven is gekomen. In de natuur komen we de fraaiste vormen en kleuren tegen – vlinders, maanvissen, ijsvogels, tijgers, damherten -, maar we kennen ook vlooien, muggen, bloedzuigers, slangen, haaien, monsters van de diepzee, hyena’s en andere biologische soorten, die alleen kunnen bestaan door andere dieren uit te zuigen en op te eten en daarnaast geen enkele andere waarde, zoals schoonheid, vertegenwoordigen.

Helaas geldt dat ook voor onze eigen soort en nog wel in versterkte mate. Enerzijds zijn er de grote leiders en de genieën op de gebieden van religie, filosofie, literatuur, beeldende kunst, muziek en wetenschap, maar we kennen maar al te goed ook de monsterlijke exemplaren zoals Hitler, Stalin, Pol Pot, Karadzic, Mladic, de vele kleinere oorlogshitsers en massamoordenaars en dan nog de grote en kleine criminelen, die het menselijk leven op deze aarde bedreigen en verpesten.

We onderscheiden ons dus van de “lagere” soorten door meer vermogen tot beheersing van de omgeving, maar dat vermogen wordt zowel ten goede als ten kwade gebruikt. Ondanks alle tradities van religie, filosofie en ethiek zijn we niet beter dan de lagere biologische soorten.

 

“God”: dus toch?

 

Op onze zoektocht past dus bescheidenheid. Het is niet prettig om dat te horen, maar in de ruimte en in de tijd stellen we niets voor en moreel gezien staat de mensheid nog in de kinderschoenen en dat zal voorlopig wel niet veranderen. Als we toch verder zoeken naar antwoorden op fundamentele vragen, kunnen we in de rijke tradities van religies en filosofieën, westers én oosters, oud én nieuw, terecht. Dat is de wereld van de metafysica. Maar het is beter om eerst vragen te stellen over de kenbare wereld, de fysica. Daarover is vanuit de wetenschap het een en ander opgehelderd, maar ieder antwoord leidt weer tot nieuwe vragen. Ik noem er een paar – alweer vier - deels over dezelfde onderwerpen, die ons tot bescheidenheid dwingen.

In de eerste plaats hebben we te maken met die onmetelijke ruimte, waarin onze aarde een niets-komma-niets voorstelt. Niettemin weten we wel iets over de materie, die wij kunnen waarnemen, wat overigens maar een klein gedeelte (ca 0,5%) is van de werkelijke hoeveelheid materie én energie is. Die zichtbare materie is namelijk duidelijk gestructureerd en wel volgens de wetten van de natuurkunde en de chemie. Daarin speelt de wiskunde een doorslaggevende rol. Bovendien doet zich een ander merkwaardig verschijnsel voor en dat wordt het antropisch principe genoemd (al eerder in GAMMA beschreven). Dit principe vertelt ons dat de kosmische constanten zodanig zijn samengesteld dat het optreden van levensvormen mogelijk is. De materie heeft dus bij voorbaat een zodanige structuur gekregen, dat zich ná de oerknal sterrenstelsels, sterren, planeten konden vormen en dat er planeten voorkomen, die precies die omstandigheden kennen, waardoor leven mogelijk is. Dat geldt voor onze aarde, maar vermoedelijk voor zeer vele andere planeten. Het is duidelijk, dat het bestaan van het heelal een bedoeling heeft.

Kijken we naar de factor tijd en dan wel beperkt tot ons zonnestelsel, dan zien we dat er op onze aarde een proces van evolutie plaats heeft gevonden. Of dit alleen geldt voor de aarde is voor mij nog de vraag. De droge rivierbeddingen en de berg in de vorm van een menselijk gezicht op Mars kunnen suggeren dat daar ook iets is geweest. Maar het evolutieproces op onze planeet is onmiskenbaar en het verschijnen van de mens géén toeval, zoals veel biologen zeggen. Wat mij betreft is de voortdurend toenemende complexiteit met evolutionaire sprongen – w.o. het optreden van de mens met een vier maal zo grote herseninhoud in vergelijking met de dichtstbijzijnde soort, de chimpansee – alleen te verklaren vanuit een bedoeld en gewild proces.

Nóg een argument vóór de metafysica is het menselijke creatieve vermogen. Wij zijn weliswaar een soort met een grote variëteit aan eigenschappen, goede én slechte, maar niet ontkend kan worden, dat er exemplaren van onze soort zijn met uitzonderlijk creatieve vermogens. Als ik bijvoorbeeld in tijdsvolgorde Boeddha, Plato, Jezus, Copernicus, Kant, Bach, Mozart, Tolstoi, Marx, Einstein, Sartre, noem, dan is het wel duidelijk wat ik bedoel (Teilhard mag er ook bij, maar misschien is niet iedereen het eens met dit lijstje). Die creatieve vermogens komen ergens vandaan en niet uit onze hersenen. Het wonderkind Mozart schreef de muziek op, “die er al is”; Einstein kwam tot zijn theorieën door naar buiten te staren (en daarbij zijn lesjes vergat). Er is dus blijkbaar een ander – niet materieel - scheppend universum, waarmee mensen met speciale eigenschappen in verbinding kunnen treden.

Dan is er nog het verschijnsel van de dood. Dit lijkt een zwak argument, want de atheïst heeft meteen een antwoord: ideeën over een voortbestaan zijn nu eenmaal in ons eigen belang. Maar als ik dat eigen belang even terzijde laat, dan lijkt het mij wel heel merkwaardig, dat een bewust levend, willend, bedoelend en soms ook scheppend wezen ineens verandert in een hoopje stof, omdat er een adertje knapt. Waar is het menselijk bewustzijn gebleven? De atheïst zal zeggen dat bewustzijn een gevolg is van de electrische stroompjes die door onze hersenen en ons lichaam lopen. Ik vraag mij af waar dan die electrische energie is gebleven na datgene dat wij de dood noemen. Energie verdwijnt niet zomaar. Daarom heb ik een andere verklaring en wel dat ons bewustzijn niet het gevolg is van die stroompjes, maar omgekeerd. Het bewustzijn is primair, de materiële manifestaties zijn daarvan afgeleid.

 

Wetten, blauwdrukken, principes, bewustzijn

 

Met behulp van een ondogmatische, logische, kritische, empirische redenering kan ik geen andere conclusie trekken dan dat het universum, het materiëel zichtbare heelal, ons zonnestelsel, de aarde, de mensheid, de andere mens en ikzelf het resultaat zijn van een bedoeld en gewild proces. Gaan we verder met de vraag wie of wat dan die bedoeling heeft of had, dan komen we terecht bij de op metafysica gebaseerde religies en filosofieën, die we dan wel opnieuw – met de huidige stand van de kennis – moeten interpreteren. De vraag of we daarbij over het Mysterie, ofwel over God of welk ander begrip dan ook spreken, blijft uiteraard een kwestie van persoonlijke voorkeur.

Van belang is uiteraard wat voor eigenschappen dat  Mysterie, God, Brahman of TAO, die scheppende, bedoelende kracht van het universum heeft. Ik denk dat we er slechts naar kunnen gissen, al zijn er wel een paar aanwijzingen. Ook in dit opzicht past bescheidenheid.

In de eerste plaats: God is wiskundige. De materie gehoorzaamt aan de wetten van de wiskunde, al zijn dat wel verschillende soorten. We kennen zowel de “gewone” wiskunde van Newton, alsook die van Einstein, Planck e.a. met de relativiteits- en quantumwetten. Het zijn – voor zover ik dat begrijp – graduele verschillen. 

Kijken we naar de meer complexe structuren, zoals die van de levende vormen, dan blijken die ook aan wetten te voldoen, zoals de wetten van mutatie en selectie. De vraag of die wetten alleen maar gelden voor de aanpassing van soorten aan een veranderde omgeving of ook, zoals Darwin en de meeste moderne biologen geloven, voor de evolutie door “vele kleine stapjes”  naar meer complexe structuren, is m.i. niet beantwoord. Ik denk, zoals al eerder uiteengezet, dat die evolutie verloopt volgens reeds bestaande blauwdrukken. Het proces van evolutie heeft dan te maken met de opkomst van een nieuwe soort overeenkomstig een bestaande metafysische blauwdruk – of vormgevende kracht -, veelal na het optreden van een zware crisis. We kennen natuurlijk de theorie over het uitsterven van dino’s en de gevolgen voor de  evolutie van de zoogdieren.

Wat voor wetten en blauwdrukken zijn er van toepassing op de mens?

We zitten hier in een nog grijzer gebied dan bij de andere, lagere levende vormen. In de sociale wetenschappen is wel gezocht naar die wetmatigheden, maar er is nog niet veel gevonden. Alle theorieën hebben nog de status van hypothese. Niettemin meen ik dat er wel zinnige hypotheses bestaan.

Eén daarvan is, dat er net zoals bij de diersoorten, aanpassing aan veranderde situaties mogelijk is. De ijstijd is een bekend voorbeeld. De vele mythes over zondvloeden duiden op catastrofes, die hebben geleid tot veranderde levenswijzen van onze voorvaderen. Dat die catastrofes tot aanpasssing, maar ook tot evolutie – meer complexiteit – kunnen leiden, leert ons de recente catastrofe, die is opgetreden in de periode van 1914 – 1950. Door deze tijd van oorlogen, revoluties, massamoorden en crises (ca 140 miljoen mensen door geweld ongekomen), is de wereldsamenleving totaal veranderd. De oude, 19e eeuwse sociale hiërachieën van koningschap, adel, patriciërs, met daaraan gekoppeld de arme, onderdrukte massa’s van horigen, slaven, arbeiders, arme boeren, allemaal gefundeerd in de nationale staat, gepaard gaande met een lage graad van technologie en een grote macht van de kerken, gaan in snel tempo tenonder, terwijl de nieuwe patronen van samenleven na 1950 te voorschijn komen: technologie, democratie, mensenrechten, emancipatie, welvaart voor de massa’s, globalisering. Dat is het begin van de manifestatie van een nieuwe wereldorde, die is gebaseerd op reeds bestaande blauwdrukken, met name de blauwdruk van het punt omega. Helaas weten we niet of zich dezelfde wetten en dezelfde blauwdrukken manifesteren op die biljoenen andere planeten, waar zich misschien intelligente levensvormen bevinden. Ik hoop dat daarover spoedig meer informatie komt.

De volgende eigenschap van die universele scheppingskracht is die van de ethische principes, ofwel de “geboden”. Die gelden voor de menselijke levensvorm. We kennen de geboden uit het christendom: respect en naastenliefde. Ook de andere religies hebben hun ethische voorschriften.

Dan volgt nog de belangrijkste veronderstelling over de eigenschappen van die universele kracht. Wat is de relatie met het menselijk bewustzijn? In het christendom gaan we uit van God als schepper van de menselijke ziel. Het hindoeïsme kent een soortgelijk standpunt: Atman (de ziel) is Brahman (God). In moderne termen kunnen we zeggen: de individuele scheppingskracht is deel van de universele scheppingskracht. Beiden zijn onsterfelijk, maar het individuele bewustzijn maakt wel een – metafysisch – ontwikkelingsproces door, dat ik al eerder heb beschreven.

 

Conclusie

 

Wij moeten dus bescheiden en vooral ook voorzichtig zijn met onze conclusies. Duidelijk is wel dat het universum gestructureerd is en zo’n structuur ontstaat niet vanzelf. Er is een scheppende, bedoelende kracht aanwezig. Ik denk niet dat die kracht zich op persoonlijke basis met deze ene, minuscule planeet bezig houdt. Dat die kracht op persoonlijke titel medeverantwoordelijk zou zijn voor Auschwitz en de honderden andere kleinere en grotere manifestaties van monsterachtige vernietigingsdrift, lijkt mij uiterst onwaarschijnlijk.

Zo kom ik dus tot een wereldbeeld, gebaseerd op een integrale, synthetische, convergente wijze van denken. Daarin geldt het primaat van de wetenschappelijke kennis. Voor de vele vragen die daardoor niet beantwoord zijn en dat ook niet kunnen worden, hebben we voorlopig niet meer dan veronderstellingen, hypotheses, waarvan het bestaan een Universele Scheppende Kracht m.i. een hoge mate van juistheid kent.

Het is deze kracht, die een strikte ordening in het universum aanbrengt: de wetmatigheden, de blauwdrukken, de ethische principes. Dat zijn abstracties, die betrekking hebben op de materie en de levensvormen die daaruit voortkomen. De meest concrete producten van die kracht zijn wel de individuele manifestaties van schepping én bewustzijn. Het is onze taak, daaraan zoveel mogelijk uitdrukking te geven. 

 

 

Zie artikel “Evolutie van het wereldbeeld II” in: GAMMA, augustus 2002

 

Zie ook: Scientific American, special edition 2002. Cosmos. The once and future.

 

 

 

 

Orde in de materie: de andromedanevel, het dichtsbijzijnd sterrenstelsel